Recensie: Kees van Beijnum – Hier komt de zon
Opgroeien in Amsterdam
Zelden zal een boektitel zo onmiddellijk muziek hebben opgeroepen als de titel van Kees van Beijnums nieuwe roman Hier komt de zon. Je leest het en je hoort George Harrison. Deze autobiografische roman schetst een scherp beeld van Amsterdam en omstreken van de jaren vijftig tot het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw, de tijd dat de schrijver – of het hoofdpersonage – opgroeit van jongen tot bijna volwassene.
Kees van Beijnum is de auteur van een respectabel aantal romans, waarvan een flink aantal zijn bekroond of verfilmd. Zijn eerste vijf romans speelden zich af in Amsterdam, vaak in de rosse buurt, maar in latere romans verlaat hij de hoofdstad voor o.a. Bretagne en Tokio. Voert hij in zijn semi-autobiografische roman Dichter op de Zeedijk nog een hoofdpersoon onder pseudoniem op (Constant Wegman), in Hier komt de zon is de hoofdpersoon gewoon Kees, net als de auteur. En deze Kees is een observator van mensen, van sociale omstandigheden en van veranderingen door de tijd heen.
Het observeren zit er al jong in. Zo beschrijft hij dat hij zich als kind ‘in een bepaalde gemoedstoestand’ beperkt tot kijken in plaats van mee te doen met het spelen op straat: ‘Dan heeft hij de neiging heel aandachtig iedereen om hem heen te bestuderen … de manier van stappen, zuchten, lachen.’ Van Beijnum gebruikt nadrukkelijk geen ‘ik’; hij bewaart een bepaalde afstand, ondanks het – spaarzame – gebruik van de eigen naam. Kees zit dan op de lagere school en woont in de Staatsliedenbuurt, toen een armoedige arbeidersbuurt met kleine, donkere woningen, nu een wijk die door makelaars aangeprezen wordt om zijn ‘bruisende mix’ van winkels, restaurants en gezellige koffietentjes.
Binnen het arbeidersmilieu van de wijk is Kees’ gezin bijzonder, en dat komt door zijn moeder, Jos. Opgegroeid in het café van haar ouders, is ze vastbesloten zelf een andere invulling aan haar leven te geven. Haar moeder steunt haar daarin: ze mag naar de mulo en daarna naar een secretaresse-opleiding. Maar er volgt een huwelijk, er moet worden bijverdiend, en dus belandt Jos ‘s avonds toch weer in het café van haar moeder tussen de dronkenlappen. Niettemin, bij Kees thuis weten ze ‘het verschil tussen liggen en leggen’. Mooier dan zó kun je een Amsterdams sociaal verschil niet illustreren.
Na de vroege dood van de vader (eerst havenarbeider, later schimmige zetbaas) door een hartstilstand verhuist het gezin, samen met de inwonende vader van Jos, naar de nieuwbouwwijk Slotermeer. De nieuwe flat is nog steeds niet ruim, maar er is een zogenaamde box, bedoeld voor opslag en fietsen, waarin een bandje kan oefenen, er is meer dan genoeg ruimte om te voetballen, en er is een middelbare scholengemeenschap, een nieuw fenomeen. Kees gaat naar het gymnasium daar en geniet van de rust en ruimte die de nieuwe omgeving biedt. Van Beijnums beschrijvingen van dit nieuwe deel van Amsterdam – Slotermeer, Slotervaart, Osdorp – roept fraaie beelden op van de ruimtelijkheid en de lichtheid van het nieuw-gebouwde gebied. Ze herinneren aan de foto’s van nieuwbouwwijken van Cas Oorthuys.
Maar Slotermeer is niet ambitieus genoeg voor Jos. Ze koopt zonder enig overleg een lelijke bungalow in Landsmeer, tussen de chique mensen waar ze zo graag door gerespecteerd zou willen worden. Maar de inrichting is kermisachtig, het zwembad ondoordacht (onderhoud!) en veel te groot en de bezoekers te luidruchtig. Kees moet zich een plek veroveren tussen de lokale jongeren, en dat lukt aanvankelijk ook wel, maar hij is zich steeds bewust van de precaire balans. En zijn school is nu wel erg ver weg. Wel geniet hij ook hier van de ruimte en het groen, van het klooien met een bootje op de plas.
Met school gaat het mis; Kees geeft er in het examenjaar de brui aan. Dan wordt het voor Kees, die toch iets te doen moet hebben, zijn moeders café annex hotel in de Warmoesstraat. Inmiddels hebben de drugs hun intrede gedaan op grote schaal en is Amsterdam veranderd. Kees ziet hoe ‘meisjes die nog niet zo al lang geleden balletschoenen voor hun verjaardag kregen’, zich nu, ziek en onverzorgd, prostitueren voor een beetje geld om drugs te kunnen kopen. ‘Netjes is uit … Drop-out is in’. Kees houdt dealers zo veel mogelijk buiten de deur van het café door overdag nederlandstalige schlagers in de jukebox te doen; hij vindt het vreselijke muziek, maar smokkelt er één plaatje tussen dat hem wel kan bekoren: George Harrisons Here comes the sun. Zo behoudt hij nog een klein beetje eigenwaarde in een omgeving waar hij eigenlijk niet wil zijn. En wat is de toekomst? Medicijnen studeren? Jos’ eerste plan voor hem. Lastig, zonder einddiploma. Het café/hotel overnemen, Jos’ plan B? Het wordt iets anders.
De inwonende grootvader van Kees is in het hele boek een uitgesproken ‘unsung hero’: Hij doet het hele huishouden, opdat zijn dochter overdag kan werken. Verschijnt er weer een mannelijke geliefde die het eten van zijn thuisland wil koken voor het gezin, dan geeft hij zonder gemor zijn plaats op aan het fornuis; is de geliefde weer vertrokken, dan schuift hij, zonder een woord van verwijt of kritiek, weer achter het fornuis, en zorgt voor karbonaadjes, sperzieboontjes en piepers als vanouds. Zolang hij maar een dag in de week naar zijn stamcafé kan om te biljarten en een borreltje te drinken; meer verwacht hij niet van het leven. Ook voor zijn dochter is minder veranderd dat ze had gehoopt; ondanks alles zit ze toch weer ‘tussen de dronkenlappen’. Een nog opvallender auto, een borreltje op zijn tijd, een eigen plaatje tussen de rotzooi – zo verandert er niets wezenlijks. Verandering, zeker onttrekking aan een milieu, is moeilijk.
Van Beijnums evocaties van de tijdgeest roepen bewondering op, maar soms is er ook sprake van irritatie, bijvoorbeeld waar Kees de schrijver zijn jongere alter ego toespreekt of waar het wel erg sentimenteel wordt, inclusief het einde. Het had ook allemaal wel wat strakker, kórter gemogen. Niettemin roept het boek een tijdsbeeld op met observaties die vaak fraai verwoord zijn. En één blik op de titel en je hoort muziek.
Thea Summerfield
Kees van Beijnum – Hier komt de zon. De Bezige Bij, Amsterdam. 528 blz. € 29,99.