Streven naar betekenis

Op het moment dat een familielid ernstig ziek wordt, het levenseinde nadert, volgt vaak als vanzelf een heroverweging van de relatie, van de verbondenheid die er alleen al door de bloedband hoe dan ook is. Marjoleine de Vos, essayiste pur sang, columniste van het NRC, schrijft altijd al heel intens over onder meer kunst, filosofie en literatuur. In Ik ben hier liever niet alleen, over verbondenheid onderzoekt ze vooral ook haar eigen veranderende gevoelens wanneer haar broer terminaal ziek blijkt te zijn. Wat is verbondenheid precies, vooral wanneer iemand door een totaal andere levensstijl van je af is gedreven? En hoe komt het dat ze plots een nabijheid ervaart die ze daarvoor niet kende?

De Vos is heel nauwkeurig, probeert via allerlei afslagen, via gedichten, verhalen, herinneringen voor zichzelf en de lezer duidelijkheid te scheppen, het raadsel te definiëren, wetende dat het eigenlijk niet te vatten is. En dat is juist de kracht. Je voelt, in de onderbuik als het ware, dat dit persoonlijke, intieme verhaal waarachtig is. Het constant zichzelf bevragen van de verteller zorgt voor een sterke verbondenheid met de tekst, voor het afdalen in je eigen krochten. Zij is voor even weer de grote zus, hij het kleine broertje dat weleens met een overdosis heroïne in het ziekenhuis lag, waarover ze zich toen wel een moment afvroeg of het erg zou zijn als het daar was geëindigd. De Vos die in de loop der jaren heel wat af heeft gepiekerd over hem.

Ik wist niet veel van zijn leven, ik begreep eigenlijk niet waarom zijn leven zo gelopen is, noch waarom ik me zo hardnekkig met hem verbonden bleef voelen. En hoe konden we nu ineens zo nabij zijn? Niets begrijp je.

Allereerst onderzoekt De Vos de lichamelijkheid, het aanraken an sich. Het kroelen van een kat, het aaien van een paard. Heerlijke zelfspot wanneer ze met een teruggevonden knuffelbeest, een hond, op schoot zit en met een goed gevoel het levenloze ding aait.

Ik zou een heel geschikte bejaarde zijn om een robotzeehondje bij op schoot te zetten, of een dito kat die reageert op knuffels dankzij sensoren.

Dieren kun je ongevraagd aaien, vermits ze niet bijterig zijn, maar bij mensen ligt dat anders. De macht van de aanraking is groot, is noodzakelijk, maar het is niet altijd gemakkelijk om met een lichaam geconfronteerd te worden.

Als ik me voorstel dat een vreemde mevrouw even in mijn nek wil kriebelen komt er afkeer bij me op, weerzin. Dat heeft ongetwijfeld met onze culturele bedrading te maken, aanrakingen horen niet als je geen intieme relatie hebt, of expliciet of impliciet toestemming hebt gegeven, zoals je doet aan professionals als artsen en behaverkoopsters.

Monniken die nooit aangeraakt worden, behalve in de kappersstoel. Een koud leven, vaak met alle gevolgen van dien. De Vos stelt terecht dat de rol van lichamelijkheid bij een kind het grootst is. (Als het goed is. In vroeger dagen werd lichamelijk contact gemeden, nu zie je ouders steeds vaker met een mobiel in de hand een kinderwagen voortduwen.) Het is troostrijk om te lezen hoe de grote zus als kind natuurlijk met de broertjes in bad zat, op schoot werd genomen, door ouders werd geknuffeld. Later moet het lichaam ‘wijken’.

Van de magere verslaafde met zijn huilerige stem hield ik liever afstand, net als van diens opvolger, de agressieve Amsterdammer met een alcoholprobleem.

Maar de opvolger, de werkeloze bij hun moeder in huis, die zich best wel onaangenaam wist te gedragen, aaide ze toch weleens over het kortgeschoren hoofd. Hetgeen de broer zwijgend liet welgevallen. Een mooi bruggetje naar de monniken, met hun kale koppen en hun kilheid.
Het is de vanzelfsprekendheid die zorgt voor handelingen. De onuitgesproken gevoelens. Familieleden die alles en niets met elkaar te maken hebben. ‘Ik heb geen idee wat het betekent, ‘broers’, en ik ben de hemel dankbaar dat ik ze heb.’ Mooi, die strijd, die gevoelige weegschaal. Medelijden verwoest elke relatie, elke goede bedoeling. Mededogen klinkt beter, hulp bieden zonder restricties.

De Vos steekt de hand op ontroerende wijze in eigen boezem met Ik ben hier liever niet alleen. Hoe makkelijk is het om boos te worden op iemand, om je kapot te ergeren aan een leven dat ‘anders’ gelopen is. Het onverdraaglijke element schuilt in de ‘succesvollen’.
De Vos is meesterlijk op de korte baan, het is onwaarschijnlijk wat zij allemaal in negentig plus pagina’s aan het licht brengt. De nieuw gevonden verbondenheid met de broer is bijna te zien als een opstap naar een onderzoek naar de echte grote vragen over liefde, vriendschap. Hoe beleef je een ander daadwerkelijk, hoe kan je een connectie maken met de mens in de mens. Het afwachtende wezen dat bewustzijn heet, dat als een matroesjka zelf ook weer een poppetje bevat dat meekijkt, meeleeft, meevoelt.

En dan is er ook nog zoiets als de herinnering, die van een zeepbel een zeppelin kan maken. ‘De herinnering is een gatenkaas en zelfs dat klinkt nog gestructureerder dan wat je overhoudt. Een restje door foto’s opgeroepen sfeer, een gezicht maar van wie, een scène zonder verband. Zoals in dit hele werk, duiken er af en toe mini-essays op, over hoe herinnering werkt voor schrijvers bijvoorbeeld. Lukrake zaken die zich onthullen als een geheel. Een reconstructie, een ‘waar verhaal’. ‘Niet dat ik dat per se wil. Een goed verteld verhaal is waar zonder dat het gebeurd is.’ En zo is het!

De Vos licht met deze hele bundel momenten uit de tijd uit. Momenten die beklijven. De broer die slechts met een enkel gebaar, een frons, een binnensmonds gemompeld ‘ik ben hier liever niet alleen’ vraagt om zowel de fysieke als de mentale nabijheid. De nabijheid in het voorportaal van de dood.

Ook al vind ik de dood, die steeds vaker in de buurt rondhangt, verschrikkelijk, toch denk ik: lang leven, ach, dat is niet het belangrijkste. Goed leven dáár draait het om. Zinvol, betekenisvol. Maar misschien is dat niet waar als het er op aankomt. Misschien gaat het inderdaad alleen maar om leven.

Haar broer, wiens leven niet bepaald ‘goed’ was, wilde het toch beslist niet kwijt. Dat belichten van twee kanten, die gerede twijfel maakt Ik ben hier liever niet alleen zo ijzersterk. Als een kunstwerk.

Het idee dat kunst altijd maar moet troosten en verrukken. Al troost en verrukt kunst vaak genoeg ook wel, maar juist doordat het niet gemakkelijk gaat, soms juist doordat er iets getoond wordt in al zijn verschrikking of ondraaglijkheid – maar wel gevormd. Het gaat om het specifieke, precies díé noten, precies díé woordvolgorde, dat toefje kleur daar linksonder.

De Vos fluit zichzelf aan het einde terug. Zegt dat ze moet ophouden met vertellen, rangschikken en verklaren. ‘Misschien moet ik Huibs leven met alles wat erin was laten liggen als stenen onder helder water. […] Het gevoel en de ervaring trekken zich van onze onwetendheid niet zoveel aan.’

Guus Bauer

Marjoleine de Vos – Ik ben hier liever niet alleen. Van Oorschot, Amsterdam. 94 blz. € 17,50.

Eerder verscheen deze recensie van Ik ben hier liever niet alleen