Moet de literatuur het lezersbrein redden?
Lize Spits pleidooi voor plot en de reacties van Jamal Ouariachi, Chrétien Breukers en Arno Van Vlierberghe

Lize Spit schreef op 30 april in De Standaard Letteren dat ‘literatuur zich haar elitarisme niet meer [kan] permitteren nu het haar grootste missie is geworden zichzelf in leven te houden en lezers aan boord te houden.’ Karikaturaal geparafraseerd: volgens de Vlaamse schrijfster moet de literatuur het lezersbrein tussen de kaken van de streamingdiensten vandaan sleuren, voordat die definitief dichtklappen. Hoe? Door zich minder te beroepen op navelstaarderige ‘egoliteratuur’ en ‘autofictie’ en ruim baan te maken voor ‘authentieke’ (i.p.v. goedkope) suspense. Minder persoon, meer plot.

Spits betoog zorgde voor een commotiegolfje op sociale media. Een echt debat werd het niet, maar hier en daar klonken steunbetuigingen en polemische reacties. In wat volgt geef ik een overzicht van enkele interessante commentaren die ik al browsend tegenkwam en accentueer ik de breuklijnen die de achterliggende poëtica’s van elkaar en van Spits visie scheiden.

Claes’ criteria
Maar eerst: terminologie. Literaire geschillen lijden vaak aan begripsverwarringen, maar zijn soms relatief gemakkelijk te beslechten door in de geschiedenis of in het werk van hedendaagse literatuurhistorici op zoek te gaan naar vergelijkbare discussies. Niet zelden blijkt dat grotere geesten het ondankbare klusje van de definitiebepaling al voor je hebben uitgevoerd.

In zijn notitieverzameling C (De Bezige Bij, 2011) verdeelt de Vlaamse vertaler en auteur Paul Claes de literatuurkritiek onder in tien criteria:

Het realistisch criterium: geeft het werk de wereld getrouw weer?
Het educatief criterium: wat leert het werk ons over de wereld?
Het informatief criterium: biedt het werk een onverwachte visie?
Het affectief criterium: maakt het werk gevoelens los bij de lezers?
Het emancipatorisch criterium: verandert het werk gevestigde gewoonten en (voor)oordelen?
Het morele criterium: draagt het werk bij tot de filosofische, religieuze, morele of politieke ‘verheffing’ van de lezer?
Het expressief criterium: geeft het werk de ‘vent’, de persoonlijkheid van de auteur, weer?
Het intentioneel criterium: drukt het werk precies uit wat de auteur bedoeld heeft?
Het esthetisch criterium: is het werk goed gestructureerd? Bereikt het met een minimum aan middelen een maximum aan effect?
Het innovatief criterium: is het werk formeel, technisch of thematisch vernieuwend?

(p. 57)

Het lijstje dient als instrument om poëtica’s mee te vergelijken. Passen we het toe op Lize Spits betoog, dan zien we dat ze haar pijlen vooral richt op het expressief criterium. Of het werk de persoonlijkheid van de auteur al dan niet goed weergeeft, mag van haar minder meewegen in de communis opinio. Voor haar telt het affectieve criterium: goede literatuur wekt bij de lezer een sensatie van spanning. Om daarin te slagen moeten auteurs volgens Spit de plottechnieken optimaal beheersen en zich niet hoeven beroepen op gemakzuchtige trucjes – een esthetisch criterium. Daarbij probeert Spit met haar betoog het debat over ontlezing aan te zwengelen, en getuigt ze daarmee van een geloof in de emancipatorische kracht van literatuur.

Ouariachi
De Nederlandse schrijver Jamal Ouariachi duidt Spits betoog als een verdoken verdediging van haar oeuvre. Dat haar werk in het verleden als Netflix-literatuur werd weggezet, noopt Spit volgens Ouariachi tot ‘zelfverschoning’:

Spit beweert hier dus eigenlijk dat haar voormalige ‘zwakte’ (in haar eigen ogen dan, hè, geredeneerd vanuit dat voormalige minderwaardigheidscomplex) nu dé oplossing is voor de hele literaire wereld. Dat zie je ook wel vaker. Dat minderwaardigheidsgevoelens gepaard gaan met hun spiegelbeeld: grootheidswaan.

Ouariachi loopt niet warm voor Spits pleidooi en poneert zijn eigen poëtica:

Liever zie ik dat schrijvers datgene in hun werk doen wat literatuur zo aantrekkelijk kan maken: niet meegaan in de wetten van de gewone wereld, maar ertegenin gaan, vervreemding presenteren om de wereld nieuw te maken. (…) We moeten protesteren tegen die wetten van de gewone wereld omdat ze ons apathisch en blind maken, we moeten die wetten vernietigen en met de brokstukken ervan het nieuwe bouwen.

Voor Ouariachi dient literatuur vooral om verandering te bewerkstelligen in hoe lezer en schrijver de wereld waarnemen – een emancipatorisch criterium: het werk moet gevestigde gewoonten en (voor)oordelen veranderen.

Breukers
Ook Chrétien Breukers liet zich op Substack uit over Spits artikel. De schrijver en podcastmaker looft zijn Vlaamse collega vanwege haar ‘onverzettelijkheid en passie voor het ambacht’ en dankt haar voor haar ‘moedig tegengeluid in een literair landschap dat vaak wegzakt in pretentie’. Breukers vat Spits betoog op als een uitnodiging om te reflecteren op zijn eigen visie op de literatuur en zijn beroep:

Juist door de verhouding tot de lezer zo expliciet te maken, dwingt zij mij mijn eigen overtuigingen aan te scherpen en bewijst zij dat de dialoog over de autonomie van het boek nog springlevend is.

Al schrijvend zoekt Breukers naar een formulering van zijn literatuuropvatting. Dat levert een openhartig relaas op. ‘Literatuur is, voor mij, geen vrijblijvend tijdverdrijf,’ bekent hij in de eerste zin. ‘Zij is een vitale levensvoorwaarde die volledig verweven is met wie ik ben.’ Hij verdedigt de ‘autonomie van de tekst’ en vraagt van literatuur geen ‘morele lessen of maatschappelijke nuttigheid’:

Literatuur hoeft voor mij de lezer niet op te voeden of de wereld te verbeteren; zij moet bestaan en overtuigen door haar eigen logica. Dit gaat hand in hand met mijn pleidooi voor radicale artistieke vrijheid. (…) Een tekst moet niet beoordeeld worden op de deugdzaamheid van de auteur of de politieke correctheid van de personages, maar op de vraag of de zinnen staan als een huis.

Breukers is een ‘eenling die zijn eigen wetten stelt’ en verwerpt alle criteria behalve het esthetische. Geheel trouw aan dat decadente grondbeginsel vertikt hij het om een kamp te kiezen en spreekt geen specifieke voorkeur uit, behalve dat het werk perfect is. Hij spreekt zich uit namens de schoonheid zelf en waarschuwt voor ‘de toenemende institutionalisering en vermarkting van het literaire veld,’ voor ‘organisaties die literatuur reduceren tot een moreel instrument of een commercieel product’.

Van Vlierberghe
De felste reactie op Spits betoog was de tirade die de dichter Arno Van Vlierberghe afstak op Instagram. Letterlijke citaten heb ik niet tot mijn beschikking, maar toevallig verscheen er een week voor de publicatie van Spits betoog op de website iedereenleest.be een interview met Van Vlierberghe, waarin de inhoud van zijn protest al stond verwoord. Hij vertelt onder meer over zijn liefde voor transgressieve literatuur:

Piraterij, diefstal, collage… ze zijn eigen aan mijn Leeswereld. Ik streef naar het werkelijke, naar onthullen dat er niks is om te onthullen. Je borstkas opentrekken en verraden dat je een metalen hart hebt, met onderdelen uit Taiwan. Net in de volstrekte nietsigheid zit de mogelijkheid tot verbinding en magie. Het ontblote, dat is het. Ik wil als schrijver een stok steken in de wielen van de vooruitgang, een klomp gooien naar de windmolens.

Er komen in dit citaat heel wat criteria samen. Zo lijkt Van Vlierberghe het realistische criterium te koesteren (‘ik streef naar het werkelijke’) en het morele criterium (‘de mogelijkheid tot verbinding’). Toch spreekt uit deze woorden vooral een geloof in de emancipatorische kracht van boeken (‘een stok in de wielen van de vooruitgang’): in de geest van zijn heldin Kathy Acker streeft Van Vlierberghe een literatuur na die blootlegt, saboteert en ontwricht, met ‘verbinding en magie’ als doel.

Vogelnest
Ouariachi en Van Vlierberghe enerzijds hechten waarde aan de vervreemdende, transgressieve kracht van literatuur en onderschrijven (in bovenstaande citaten althans) met name het emancipatorisch criterium. Ze beschouwen kunstwerken als potentiële instignaties van sociale verandering en eisen het vrije woord op.

Breukers en Spit anderzijds benadrukken in de geciteerde stukken vooral het belang van het esthetische criterium – de veteraan doet dat met een vleugje decadentie, de successchrijfster met een tufje popcultuur.

Het valt op dat Spit de expressieve poëtica aanvalt, maar dat noch Ouariachi, noch Breukers, noch Van Vlierberghe zich daarin herkent. De drie mannen zweren bij het woord, niet bij het ik. Voelen de juiste personen zich wel aangesproken in dit debatje?

Ook frappant is dat Ouariachi en Van Vlierberghe niet inzien dat Spit net als zijzelf overtuigd is van de emancipatorische functie van de literatuur. ‘Je kunt je niet verzetten tegen de ontlezing, en je tegelijk tegen plot en suspense keren,’ schrijft ze, en hoewel ik Ouariachi begrijp wanneer hij antwoordt dat hij niemand kent die zich tegen plot of suspense keert, erken ik wel de urgentie van Spits oproep en waardeer ik haar engagement, niet alleen als leerkracht.

Moet de literatuur het lezersbrein redden? Ik geloof niet dat auteurs zich tijdens het schrijfproces om het lezersbrein moeten bekommeren, al is het maar omdat ieder lezersbrein anders is. Bovendien vraag ik me af of karakter- en plotgedreven literatuur überhaupt echt met elkaar concurreren. Spit suggereert dat het ik de plot verstoot, Van Vlierberghe vreest dat de plot het ik over de rand van het vogelnest duwt. Ik zie het probleem niet: genoeg wormen voor iedereen.

Thomas van der Zwan

(Screenshot uit dit interview met De Standaard)