Recensie: Job Creyghton – In tegenlicht
De volgende recensie van In tegenlicht verscheen voor het eerst in 2005.
Ongevaarlijk verhaal
In de roman In tegenlicht zien we de wereld door de ogen van oorlogsfotografe Anna Landman die ergens op de Balkan betrokken raakt bij allerlei duistere zaakjes. Waar het zich allemaal precies afspeelt, laat Job Creyghton in het midden, waarmee hij uiteraard probeert zijn verhaal algemene geldigheid te geven.
Op het eerste gezicht lijkt het alsof er een verteller is die van een afstandje de personages observeert en daar verslag van uitbrengt. Maar als je beter kijkt, zie je dat alle gebeurtenissen alle gedachtes, alle bespiegelingen uit de koker komen van de onzekere heldin.
Een verhulde ik-vorm noemde Willem Frederik Hermans dit vertelsysteem ooit, hij maakte er regelmatig gebruik van, bijvoorbeeld beeld in zijn schitterende roman Ik heb altijd gelijk (1955). Het gaf hem de gelegenheid de gedachtewereld van zijn held extra venijnig scherp en onverdraaglijk zwartgallig uit te tekenen. En je als lezer een wereld binnen te halen die je nooit meer vergat.
Ik vind dat Creyghton hier een kans heeft laten liggen. Zijn heldin maakt oorlogsverschrikkingen mee waar niemand onbewogen onder kan blijven. Het jongetje Tippy waarmee ze bevriend is geraakt, wordt bijvoorbeeld samen met zijn vader voor haar ogen doodgeschoten. Het maakt op haar diepe indruk, dat wel, maar toch blijft er maar weinig van die indruk bij haar hangen, want verderop staat er: ‘ze voelde zich gefrustreerd, maar dat was niet alleen om Tippy, het was ook om haar werk. Ze had het gevoel dat er iets niet klopte, dat er iets fundamenteel verkeerd zat. Ik vind dit maar vreemde, koele zinnen. Ze zijn niet woedend, ze demonstreren niet dat er iets niet klopt, ze vertellen daar alleen in abstracte zin over.
‘Ze voelde zich gefrustreerd,’ zoiets moet je niet schrijven, je moet die frustratie laten zien in een verwoestende, liefst ernstig gefrustreerde stijl of in een uit de bocht gierend verhaal waar de honden geen brood van lusten. Nu is daar nergens in deze roman sprake van.
Anna blijft de hele tijd gelijkmatig en kalm sereen bijna, ook bij allerlei onthullingen over duistere praktijken. En zeblijft de wereld om haar heen gelijkmatig en rustig observerend beschrijven en fotograferen. Waar Hermans er ongelofelijk hard, ook stilistisch, tegenaan knalt en je je af en toe aan je stoel moet vast grijpen, laat deze heldin de gebeurtenissen maar zo’n beetje over zich heen komen. Erg wanhopig pig is die Anna niet hoor en erg schelden of tekeergaan, doet ze ook niet. We hoeven ons over haar niet te veel zorgen te maken.
Misschien was dit precies de bedoeling van Creyghton. Hij wilde zijn heldin juist over laten komen als een gelijkmatige, ongeïnteresseerde tuthola die wel eens een traantje wegpinkt, maar verder het liefste zo weinig mogelijk ergens mee te maken wil hebben. Daarom schreef hij dus al die saaie, gelijkmatige zinnen, daarmee wilde hij zijn heldin juist extra scherp uit laten komen. Zo zou je het ook kunnen zien. Maar daarmee heb je dus geen vlammend onbehoorlijk en hemelschreiend boek. Wat toch echt de bedoeling is van een roman. Knarsen moet een boek van woede, van wanhoop, van geilheid, van weet ik veel. Hier ontrolt zich alleen een goed verteld maar ongevaarlijk verhaal en dat is niet genoeg.
Kees ’t Hart
Job Creyghton – In tegenlicht Querido Amsterdam
Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 9 december 2005.
