De kracht en het manco van de karikatuur

Na mijn essay op Tzum van afgelopen donderdag over oorlogsliteratuur ontstond er in enkele uren tijd een karikatuur van mij, door de reactie van Bert Natter en daarna de samenvatting van alle reacties op Tzum: een droogstoppel, iemand die boeken boycot, ‘iemand die helemaal geen fictie over de nazi-misdaden wil lezen, tenzij ze die zelf schrijft’. Zo’n karikatuur heeft een belangrijke spiegelfunctie. Ik heb dan ook met een mengeling van plezier en huivering naar mijn uitvergrote zelf gekeken. Maar hoe geraak ik nu weer in normale proporties? Ik wil dat doen door de verbinding en nuance op te zoeken.

Allereerst heb ik belangstelling voor oorlogsliteratuur in allerlei verschillende vormen: niet alleen de getuigenverklaringen van holocaustoverlevenden, maar ook De herinnerde soldaat van Anjet Daanje, Oorlog en terpentijn en De opgang van Stefan Hertmans, Post voor mevrouw Bromley van Stefan Brijs, Bezonken rood van Jeroen Brouwers, Siegfried van Harry Mulisch, Tranen der acacia’s, Het behouden huis, De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans, maar ook Wat ons nog rest van Aline Sax en Een tuin voor verloren benen van Mahmoud Jouda, om maar van een heel andere oorlog te spreken. Door dit soort boeken komen steeds opnieuw morele dilemma’s onder de aandacht. Onder extreme omstandigheden ontstaat vaak een diep inzicht in de menselijke soort. Ik hoop dan ook met heel mijn hart dat voorlopig nog niet het laatste boek over de oorlog is geschreven.

Vanuit die belangstelling ben ik geheel onbevangen begonnen in Aan het einde van de oorlog. De weerzin die ik voelde, komt voort uit mijn kennis en beleving van wat ik eerder gelezen heb, waardoor ik mede ben geworden die ik ben. Zijn boek vind ik te simpel en plat, misschien zelfs een karikatuur? Ik besef heel goed dat dit voor een auteur niet klinkt als een prettige lezersreactie, maar hij kan ermee doen wat hij wil. Ik ben geen professionele recensent, maar een onafhankelijke lezer die onbezoldigd over literatuur schrijft en iedere auteur zijn of haar prijzen gunt. Er zit geen reclame- of geldkanon achter mij waarvoor hij zou moeten vrezen.

Nu had ik mij voorgenomen alleen nog maar te schrijven over boeken die ik daadwerkelijk interessant vind, want ik voel geen enkele behoefte iemands boek de grond in te boren, dus waarom zou ik daar mijn kostbare tijd aan besteden? Toch kraak ik af en toe een kritische noot en dat gebeurt bijna altijd als ik vind dat een bepaalde groep stereotiep wordt neergezet en ik daar een gevaar in zie.

Ik ben, denk ik, niet een droogstoppel, maar wel een docent die iedere dag met jongeren in gesprek is over literatuur en samenleving. Zo kwam in een groepsgesprek over De droomfabriek van Gerwin van der Werf naar voren dat leerlingen zich stoorden aan de stereotypering van vmbo-leerlingen. In dat boek krijg je eigenlijk geen ruimte om daar anders naar te kijken, vonden ze. Iets vergelijkbaars ervaar ik dus in Aan het einde van de oorlog, maar dan over andere groepen mensen. Stereotypering is niet ontwrichtend, zoals goede literatuur mag en misschien wel moet doen, maar rolbevestigend. Leerlingen lezen heel wat grensoverschrijdender boeken, zoals Wij van Elvis Peeters of Mijn lieve gunsteling van Lucas Rijneveld. De kracht van die boeken is juist dat er gemorreld wordt aan ons eigen morele kompas. Dat levert interessante gesprekken en verbinding op, omdat er ruimte is voor nuance.

Die nuance heeft iets te maken met een zekere kwetsbaarheid, behoedzaamheid, die ik mis in Natters boek. Toch twijfel ik altijd eerst aan mezelf en ging daarom op zoek naar een interview. Tot mijn grote geluk meende ik in Natters uitspraak over het al dan niet schrijven over zijn dochter juist die kwetsbaarheid en behoedzaamheid te vinden. Ik dacht: precies, deze terughoudendheid is zó essentieel in het schrijfproces! Dat zijn ook mijn eigen worstelingen bij het schrijven van boeken: hoe verhoud je je tot de werkelijkheid, tot werkelijk bestaande personen, je liefsten misschien zelfs? Ieder boek gaat in wezen over jezelf en hoe bewaar je afstand zonder de kern te verliezen? Het is een eindeloos afwegen en schrappen, om weg te blijven van de herkenbare oppervlakte van ons wezen, om je liefsten te beschermen, terwijl je toch in de diepte wilt geraken waarin je je wilt uitdrukken. Een belangrijke uitroep in mijn essay was daarom: waarom is zijn boek verstoken van deze subtiliteit, terwijl de auteur daar dus wel degelijk over beschikt? Doodzonde!

In dit perspectief wil ik ook iets zeggen over mijn boek Waar maanlicht vleugels raakt, waaruit Natter in zijn reactie citeert om aan te tonen dat ik ‘het’ kennelijk zelf ook doe: schrijven over de oorlog. Hij heeft alleen de proloog gelezen, vermoed ik. Het is namelijk het enige stuk in het hele boek waarin ik op gebeurtenisniveau over het bombardement op Coventry schrijf, want daar gaat het boek eigenlijk helemaal niet over. Ik wilde een boek schrijven in de vorm van de Mondscheinsonate van Beethoven, in drie verschillende tempi. Ik deed vervolgens wat onderzoek naar deze sonate en kwam erachter dat Beethoven de sonate zelf nooit zo genoemd heeft. Dat deed een muziekcriticus na Beethovens dood. Tegelijkertijd deed ik de bizarre ontdekking dat deze naam als codenaam is gebruikt door de nazi’s voor een geheime operatie waarbij Coventry is gebombardeerd, bij maanlicht. Dit boek gaat over de spanning tussen feiten en beleving, boekstaving en herinnering. Ik heb in dit boek de nazi’s niet op een bepaalde manier neergezet, noch de slachtoffers. Het boek is nauwelijks oorlogsliteratuur te noemen, omdat het verhaal vooral over een jong kind gaat dat haar moeder verliest door een vliegtuigongeluk. De proloog van anderhalve bladzijde gaat over haar oma en is de opstap tot iets heel anders.

Belangrijker is echter dat ik nergens in mijn essay heb ik geschreven dat ik er bezwaar tegen zou hebben dát een schrijver fictie over oorlog of concentratiekamp zou schrijven. Natter beweert ten onrechte dat de gruwelijkheden van de oorlog voor mij taboe zouden zijn. Ik vind daarentegen dat auteurs in alle vrijheid welk boek dan ook moeten kunnen schrijven, hoe grof of ongepast lezers dat ook zouden kunnen vinden. Tegelijkertijd vind ik dat ik als lezer mijn weerzin tegen dit boek mag delen, zonder dat ik daarmee de integriteit van de auteur of van mijzelf zou aantasten. Mijn bezwaar is ook niet eens dat dit boek zo’n grote prijs heeft gewonnen, want ik weet dat dit soort ‘literaire’ prijzen niet meer onafhankelijk is, maar op allerlei manieren verbonden is met commerciële belangen. Waar ik wél bezwaar tegen heb is dat de jury dit boek dat bol staat van de stereotypering over de oorlog, het boek beschrijft als ‘een roman die op weergaloze, ontroerende maar ook confronterende wijze een geschiedenis, onze geschiedenis, hervertelt die nooit vergeten mag worden.’

Het is deze combinatie van stereotypering door de auteur zelf én een in mijn ogen oppervlakkig oordeel van de jury, waarin ik gevaar zie, vooral omdat zo’n prijs meestal betekent dat een boek daarna als warm broodje over de toonbank gaat. Dat laatste gun ik Bert Natter natuurlijk van harte, maar laat dit warme broodje niet onze aandacht weghalen bij de hartverscheurende getuigenisverklaringen van overlevenden, die helaas nog steeds gruwelijk actueel zijn. Hier wordt namelijk gesuggereerd dat Natter geschiedenis schrijft en dat kun je Natter zelf niet kwalijk nemen, want hij heeft zelf zijn juryrapport niet geschreven. Ik hoop dat voor alle volgende generaties duidelijk is wat geschiedenis is en wat fictie of noem het in dit geval kitsch, zeker in deze tijden waarin we onze journalistiek en geschiedschrijving moeten behoeden tegen nepnieuws en geschiedvervalsing. En in dat perspectief moet je mijn oproep lezen: ‘Dit is niet wat onze kinderen zouden moeten lezen’. Voor alle duidelijkheid: Natter doet niet aan geschiedvervalsing, want dat kan niet met fictie. Dit is dan ook geen oproep tot het boycotten van een boek, maar een oproep tot een kritische houding van de lezer en van jury’s, die helaas door het hele commerciële circus voor een groot deel bepalen wat er verkocht en daarna waarschijnlijk gelezen wordt.

Kortom, wanneer leerlingen met Natters boek aankomen, zeg ik: tuurlijk, lees maar voor je lijst. Maar ik zou er iets bij zeggen: als je je echt wilt verdiepen in de oorlog en in wat er in die kampen is gebeurd, lees daarnaast dan iets van Durlacher, Levi, Wiesel, Debreczeni, Minco of al die anderen. Dat is een kleine moeite, als ze al bereid zijn 600 bladzijden Natter te lezen. Voor onze aan chronisch tijdgebrek lijdende leerlingen zijn de dunne Durlacher en Minco een kostbaar goed. Ten slotte zou ik mijn leerlingen uitnodigen: laten we in gesprek gaan over wat we gelezen hebben en op zoek gaan naar wie wij als mensen (willen) zijn.

Dietske Geerlings