Een influencer voordat het zo heette

Mary MacLane was negentien toen ze Ik wacht op de komst van de Duivel schreef. Het dagboek verscheen in 1902 en is onlangs voor het eerst in het Nederlands uitgegeven door Privé-domein. De auteur zegt een ‘eerlijk’ relaas van zichzelf te geven, wat voor een jongedame in die tijd een gedurfde onderneming was. Maar hoe eerlijk is dat zelfportret?

MacLane wacht in het voor haar oersaaie Canadese stadje Butte op de Duivel: een fascinerende man-duivel die haar zal verlossen van ‘mijn duistere ellende, mijn doffe Leegte’. Butte was een rijke mijnstad waar veel migranten – Ieren, Fransen, Schotten – op afkwamen, met de daarbij horende kroegen en plezierholen. MacLane vormt met haar moeder, stiefvader en broers en zus een redelijk welgestelde familie, die zich steak kan veroorloven en aan Mary de mogelijkheid biedt zich te verdiepen in cultuur en literatuur. Ze luistert naar Wagner en Schubert en leest Edgar Allan Poe, Charlotte Brontë en Marie Bashkirtseff. Deze laatste was een voorganger van MacLane wat betreft de autobiografische dagboekvorm.

MacLane weet met de publicatie van haar ‘Portret’ veel leeftijdsgenoten te bereiken, omdat ze raakt aan zaken waar vrijwel iedere jongvolwassene zich in kan herkennen: het afzetten tegen het gezin (‘zij betekenen niets voor me’) en de sociale mores (‘voor mij zijn Eer en Deugdzaamheid niets’), het ontbreken van zielsverwanten – met uitzondering van één docente waar ze mogelijk liefdesgevoelens voor koestert – en de overtuiging een genie te zijn: ‘een filosoof van mijn eigen fijne peripatetische school’. Tegelijk houdt ze zich bezig met hoe ze eruitziet en of ze gezond eet, en is ze vooral uit op Roem en Geluk. Ze ensceneert zichzelf voortdurend – wat sterk doet denken aan de uitingswijze van de hedendaagse influencer. In meer dan een eeuw tijd lijkt er weinig veranderd.

De beschrijving van een saai en doelloos leven roept niet alleen herkenning op bij meisjes uit haar klasse, maar het boek groeit ook uit tot een kleine cultsensatie. In het voorwoord beschrijft Marieke Ornelis het effect van het dagboek op leeftijdsgenoten van de schrijfster, waaronder de oprichting van Mary MacLane-verenigingen en zelfs het Werther-effect dat leidde tot de zelfmoord van een vijftienjarige.
De publicatie van een gedurfd relaas geschreven door een jonge vrouw was begin vorige eeuw zeker niet voor de hand liggend. Vrouwelijke auteurs hadden weliswaar de nodige mannelijke pseudoniemen naast zich neer kunnen leggen, maar zij overschreden de lijn van het dominante narratief nog niet wezenlijk. De Brontës, George Eliot en anderen bewogen zich nog voorzichtig binnen een literair veld dat wel een vrouwelijk perspectief toeliet, maar dat perspectief was zelden radicaal. Een uitgever moest dus bereid zijn een jonge vrouw niet alleen aan het woord te laten, maar haar zelfverheerlijking en morele provocaties actief te vermarkten. Herbert S. Stone & Co stond daar voor open. Eerder had hij al naturalistische en voor die tijd moreel confronterende literatuur uitgegeven, waaronder werk van Frank Norris. Hij hoopte waarschijnlijk op een schokkend goede verkoop, en geld en roem sloten naadloos aan bij MacLane’s hunkering naar erkenning.

Dat effectbejag een van de drijfveren achter Ik wacht op de komst van de Duivel was, doet niets af aan een bepaalde aantrekkingskracht van het boek. Naast het melodrama van een miskend genie bevat het passages van zelfinzicht die scherp zijn voor een negentienjarige. MacLane schetst levendige beelden van het stadje en zijn bewoners. Ze geeft inkijkjes in het mogelijk gekwetste meisje dat al vroeg haar vader verloor en naar eigen zeggen moederliefde ontbeerde. Hierin lijkt de eigenlijke pijn te liggen, waar ze echter niet diep op in durft te gaan, terwijl juist die eenzaamheid en gebrek aan liefde overtuigt. Ook kan ze je doen meevoelen in haar verzet tegen maatschappelijke gewoontes (‘Ik heb nooit leren naaien, en ben ook niet van zins het ooit te leren.’) en hypocrisie. Origineel en geestig is ze bovendien in passages waarin ze een gebed richt tot de Duivel – ‘Lieve Duivel, verlos mij.’ – en waarin ze het falen van het christelijk geloof aanhaalt. Ook haar ergernis over burgerlijkheid weet ze humoristisch te verbeelden met de symboliek van zes tandenborstels.

MacLane schrijft niet slecht, en dat lijkt ze zelf ook te willen tonen in passages die bijna als schrijfoefeningen aandoen. Had zij dat pad verder gevolgd, dan had daaruit wellicht een werkelijk schrijverschap kunnen ontstaan.

Het is jammer dat oprechtheid vaak slechts doorschemert onder een laag van geaffecteerde slechtheid, of dat een relevant onderwerp al het ontbreken van moederliefde toch taboe is. want anders zou de gedachtewereld van een jonge vrouw uit die tijd des te interessanter zichtbaar zijn geworden. Misschien schuilt juist daarin de voornaamste waarde van het boek: in de spanning tussen die pose en de verborgen oprechtheid.

Rosanna Del Negro

Mary MacLane – Ik wacht op de komst van de Duivel. Vertaald uit het Engels door Auke Leistra. Arbeiderspers, Amsterdam. 240 blz. €25,99.