Column: [Sic] – Superieure lezers, inferieure romans
Superieure lezers, inferieure romans
Een aantal columns terug schreef ik dat ‘de lezer mag nooit meer weten dan de (hoofd)personages’ me een aardig beginsel leek voor spannende literatuur. Dit naar aanleiding van Bert Natters Aan het einde van de oorlog, waarin de lezer meer weet dan de belangrijkste personages en ik hun zoektocht naar de waarheid als dodelijk vermoeiend ervoer. De mogelijkheid dat ik ongelijk had met mijn beginsel liet ik open door de lezer van mijn column uit te nodigen met een geslaagd tegenvoorbeeld te komen.
De reacties waren overweldigend. Welgeteld – hierbij aangetekend dat ik sterker ben met taal dan met getallen – één lezer reageerde. Fons Wijers deed dat met verve, door een brief en twee boeken te sturen naar onze redactie. Wijers is auteur en moest aan een kortverhaal van zichzelf denken:
Toen ik dat las dacht ik meteen aan het verhaal ‘Diepe krochten’ in mijn verhalenbundel Ricardo’s lot (nov. 2024). Juist dat genoemde kenmerk [lezer weet meer dan de personages] is precies de kracht van dit verhaal. De lezer hapt naar adem als hij na de laatste zin beseft dat hij iets weet wat voor de personages voor altijd verborgen zal blijven. Ik ben benieuwd hoe jullie dat ervaren.
Hoewel ik vind dat Wijers per definitie niet kan weten of ‘Diepe krochten’ een geslaagd tegenvoorbeeld is, omdat hij de schrijver ervan is en niet de lezer, heb ik zijn verhaal alsnog nieuwsgierig tot mij genomen. Zou een kortverhaal van een relatief onbekende Venlose schrijver mijn beginsel omverwerpen?
In ‘Diepe krochten’ maken we kennis met het echtpaar Driessen. Gerrit heeft een herseninfarct gehad en kan enkel nog losse woorden brabbelen: ‘Hij had het over dictee, spelling, kofschip, troepenschip en over meneer Van Dale’, zegt de verpleegkundige. ‘Mijn man is een echt talenmens,’ verheldert vrouw Bep; dat troepenschip moet uit zijn Indië-tijd komen. Bep kan er slecht tegen dat Gerrit geen enkele blijk van herkenning geeft. Dan komt de pastoor met een oplossing die iedereen in de literaire wereld zal onderschrijven: ‘Als het spreken dan zo moeilijk gaat, is schrijven misschien een optie.’
Gerrit krijgt een pen tussen zijn vingers gefrommeld en er komen onleesbare streepjes op het papier. Teleurstelling alom, totdat er een dienstshift plaatsvindt en de nieuwe verpleegkundige Mei Li, ‘een kleine vrouw met een Aziatisch uiterlijk’, stelt dat er drie Chinese karakters op het papier staan. ‘Ik hou van jou,’ heeft Gerrit geschreven en Bep barst in huilen uit. De pastoor noemt het een ingreep van God, want Gerrit is de Chinese taal helemaal niet machtig.
Flashback naar het Indië-verleden van Gerrit. Hij zoekt een Chinese vrouw, maar de Chinezen zijn verdwenen na een pogrom. Flashback nog verder terug: Gerrit is verliefd op de Chinese vrouw, Wang Liming genaamd. Hij wil haar adres, zodat hij haar kan schrijven dat hij eeuwig van haar houdt: ‘Bep is niet slecht, maar wel opgedrongen door de Roomse kongsi van Venlo.’ Wang Liming zegt dat ze zijn brieven toch niet begrijpen zal: ze kan wel een beetje Nederlands spreken, maar lezen gaat niet. Gerrit biedt aan haar in haar eigen taal te schrijven. Wang Liming lacht erom en vindt dat hij eerst maar eens drie bepaalde Chinese karakters moet kennen, die hij opnieuw en opnieuw moet tekenen, zodat hij ze in Nederland niet vergeten kan als hij zijn brief schrijft: ‘Eindeloos herhaalt hij de streepjes en puntjes tot ze automatisch uit zijn vingers vloeien.’
Op dat moment hapt de lezer naar adem. De getrainde lezer doet dat een paar alinea’s eerder, wanneer de Chinese geliefde in beeld komt. Ikzelf heb buiten het zwembad om nog nooit naar adem gehapt en deed dat ook hier niet, maar een verhaal met suspense in slechts vijf pagina’s heeft Wijers inderdaad geschreven. Ik snap waarom hij denkt dat zijn verhaal een tegenvoorbeeld kan zijn, maar ‘Diepe krochten’ voldoet niet aan mijn criteria: de lezer komt zelf namelijk pas aan het einde van het verhaal te weten hoe de vork in de steel zit. Het kennisverschil tussen lezer en personages ontstaat hier (idealiter) pas ná de laatste zin. Daarbij weet het, inmiddels handelingsonbekwame, belangrijke personage Gerrit wel degelijk meer dan de lezer. Bij het slot wordt die ongelijkheid opgeheven.
Verhalen waarin een belangrijk personage en de lezer beiden meer weten dan de andere personages kunnen zeker een spannend verhaal opleveren. Gemiddeld genomen vind ik deze verhalen literair zelfs interessanter dan verhalen waarin het hoofdpersonage meer weet dan de lezer, omdat ze niet draaien om de rechttoe rechtaan-vraag ‘wat is er gebeurd?’ maar het meer gelaagde ‘welke gevolgen heeft het gebeurde?’ Het meest geslaagde voorbeeld daarvan is Misdaad en straf van Fjodor Dostojevski, waarin de moordenaar Rodion Raskolnikov constant ontmaskerd dreigt te worden en je meegaat in zijn toenemende paranoïde gevoelens. Of wat te denken van het begin van Herinneringen van een engelbewaarder van Willem Frederik Hermans, waarin de officier van justitie Bert Alberegt een Joods meisje overrijdt bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en het lichaam snel verstopt?
Mijn conceptbeginsel over spanning blijft vooralsnog staan, daar verandert Wijers’ kortverhaal niets aan. De lezer hoeft niet mínder te weten dan de hoofdpersonages, dat laten Dostojevski, Hermans en – vooruit – in de verte Wijers zien, maar méér weten is de doodsteek voor wie spannende literatuur beoogt.
Martijn van Bruggen

Kennisvoorsprong van de lezer of de toehoorder ten opzichte van de personages heet “tragische ironie”. Oedipus Rex van Sophocles is het schoolvoorbeeld en dat is de spannendste thriller uit de literatuurgeschiedenis.
Alfred Hitchcock, toch niet de minste als het op spanning aankomt, beweert precies het tegenovergestelde:
https://www.youtube.com/shorts/z0peWTSRtU4
Dus om een concreet voorbeeld te geven: Hitchcocks Vertigo. Daarin ziet de kijker al ruim voor het einde een flashback die een groot deel van het mysterie verklaart. Vervolgens wordt het des te tragischer wanneer James Stewarts personage diezelfde waarheid onvermijdelijk ontdekt.
Zal ik even aan een film of een tv-serie refereren die iedereen kent? Herinner u de douchescène uit Psycho, een van de meest iconische filmfragmenten aller tijden. Janet Leigh staat onder de douche en de kijker ziet iemand in de badkamer komen terwijl zij zich rustig staat te wassen en niet ziet wie er binnen komt. Zo wordt de spanning ten top opgebouwd tot het douchegordijn wordt opengeritst en die schrielhoge toon de moord op de vrouw ondersteunt. De kijker weet méér dan het personage in de douche en zou zelfs willen roepen, kijk uit: gevaar op komst. Nagelbijtende spanning.
Tweede voorbeeld: Columbo. Een van de langstlopende politieseries aller tijden met Peter Falk als de wat slungelig ogende maar pientere inspecteur. Voor hij aan zijn onderzoek begint, krijgt de kijker te zien wie de moord op wie pleegt, hoe dat gebeurt en waarom dat gebeurt. Het schijnt dat toen de serie werd gepitcht nogal wat studiobobo’s hun bedenkingen hadden wie zou blijven kijken als je alles over de misdaad al weet en dus geen spanning meer is. Waren zij even fout.
En als u zegt, ja maar, dat zijn films: probeer dan eens de Ripleyromans van Patricia Highsmith. Daar weet de lezer perfect hoe Tom Ripley tikt en niemand in zijn buurt heeft hem door. Of doen we Shakespeare en Macbeth? Voorbeelden zat en niet alleen uit de misdaadliteratuur.
Spannende groet,
John Vervoort