Monsieur Hawarden | We wagen ons ‘op de grens van het al te verfijnde’

Mannen hebben het gevoel iets verloren te hebben.
Dat blijft toch een moeilijk te vatten klacht.
Mocht dit een ziektebeeld zijn, de beste arts zou zich er geen weet mee weten. Vrijheid is immers geen zero sum game: wat de vrouw verwerft wordt niet van de man afgenomen, dus waarover klagen die kerels? En als de man dan echt iets verloren heeft, wat is dat iets dan? Wat heeft hij exact verloren?
De volgende vier afleveringen van ‘Held in hoofdstukken’ gaan over een boek dat spoorloos verdwenen leek. Onherroepelijk opgevreten door de tijd. Maar in 2024 lag het plots weer in de boekhandels, back from the dead: Monsieur Hawarden, een novelle van de Vlaamse schrijver Filip De Pillecyn (1891-1962).
Ik weet niet waarom Tzara, een imprint van Standaard Uitgeverij, dit literaire kleinood weer tot leven kuste, en het doet er niet toe: Monsieur Hawarden is heel geschikt om het te hebben over wat de man “verloor”. Anders gezegd: om scherp te krijgen welke vrijheden vroeger het privilege van de man waren.

Een grommende behuizing voor een held met een zangerige naam
Zijn collega Gerard Walschap prees Filip De Pillecyn als ‘de Prins der Nederlandse letteren.’ Met reden, want zijn taal heeft een soort aristocratische verfijning. Zijn meer proletarische collega’s bouwden hun verhalen op met personages en gebeurtenissen als bouwstenen – tja, het is vaak zo’n ruw volkje, die schrijvers! – maar De Pillecyn deed de dingen anders: hij weefde een verhaal met sferen en suggesties. De zinnen bieden ons geen helder afgelijnde informatie aan – eerder een waaier aan mogelijkheden. Monsieur Hawarden is meer sfeer dan plot, meer omhelzing dan beschrijving. ‘Het beste is, het raadsel te vergroten,’ schreef Harry Mulisch in Voer voor psychologen (1961), en daar zou De Pillecyn het mee eens geweest zijn.
Niet iedereen kon die benadering waarderen. Zo was er indertijd een Nederlandse criticus die Monsieur Hawarden wel een lovende recensie gunde, maar tegelijk een slag om de arm hield: het boekje was ‘fijn en helder op de grens van het al te verfijnde’. Critici, meneer: ze kunnen zó passief-agressief zijn.
Een voorbeeld van die stijl? Dit is de openingszin: ‘Het was een nattige lentemorgen toen monsieur Hawarden te Pont aankwam, waar hij nu verblijft in het grote, grijze, vierkante huis dat de oude rentmeester heeft gebouwd.’
Een openingszin is belangrijk, dat weet het kleinste kind, en let in dit citaat op het contrast in geluid: eerst een personage met een naam die ronkt als een tevreden kat, meteen daarna dat ‘GRote, GRijze, vierkante huis’, een Grommende behuizing voor de hoofdfiguur met de zangerige naam.
We zullen heel gauw begrijpen dat Pont, een dorpje in de Ardennen, voor de hoofdpersoon een toevluchtsoord is. Monsieur Hawarden komt er niet wonen omdat hij daar echt wil zijn, maar omdat hij er een vrijheid vindt die elders niet mogelijk is.
Een openingszin is belangrijk, dat herhaalt het kleinste kind, dus laten we ook eens inzoomen op dat woordje ‘monsieur’. We negeren de plaatsnaam ‘Pont’ even: dan is ‘monsieur’ het enige Franse woord in die Nederlandse zin. Meer zelfs: dat ‘monsieur’ heeft het tot in de titel van de novelle geschopt.
Waarom staat daar niet gewoon ‘meneer’?
Die vraag dringt Filip De Pillecyn zélf ons op. Hij laat meteen het probleem doorschemeren: er is íets aan de hand met de mannelijkheid van dhr. Hawarden. En hij houdt de lezer vrij lang in spanning, door bladzijdenlang mist te spuiten. Monsieur heeft geen heel mannelijke fysionomie, vernemen we bijvoorbeeld. Niet meteen een gegeven om conclusies aan te verbinden. So what als hij slanke vingers heeft? Is het van belang dat hij verfijnd is, gevoelig, en meermaals omschreven wordt als ‘slank’? Het kan alles en niets betekenen.

Zwaar in de nevel
Nog een tweede sample van die bijzondere stijl: ‘Hij was dagenlang ziek geweest. De vrouw van de rentmeester keek bezorgd naar de ogen die hol en dof stonden en luisterde medelijdend naar de krachteloze stem. Het duurde zeer lang eer Monsieur Hawarden terug wandelen ging. De zomer was reeds voorbij en de bomen stonden zwaar in de nevel. Hij liep verloren over de mistige wegen en sprak veel tot zichzelf.’
Intussen weten we nog steeds bitter weinig over de hoofdpersoon. Hij wandelt, mijmert en luistert beleefd naar de dorpelingen. Hij onderhoudt vriendschappelijke relaties met een paar van hen. Maar net zoals die bomen blijft het personage ‘zwaar in de nevel’ staan. Voor een tekst uit 1935 voelt de novelle heel erg fin de siècle. Alsof deze tekst thuishoort in dezelfde te heet gestookte serre vol melancholie en verfijnde zelfkwellingen waar ook Louis Couperus en Frans Coenen zo graag rondhingen. Alsof de auteur op een literair festival het podium zou delen met de Fransman Joris-Karl Huysmans en de Italiaan Gabriele d’Annunzio: collega-auteurs met een gelijkaardige ‘geparfumeerde’ stijl. Auteurs, ook, die verslingerd waren aan het noodlot, aan ondergang, goden- en andere schemeringen.
De Vlaamse lezer van literatuur in de jaren 1930 verwachtte juist iets heel anders: realistisch regionalisme. Romans over het plattelandsleven bijvoorbeeld, of over de sociale en politieke problemen van die tijd. En dan bij voorkeur in een sobere stijl. Monsieur Hawarden, de man én het boek, waren de vreemde eend in de bijt.
Halverwege de novelle legt De Pillecyn alsnog (en toch nog onverwacht) zijn kaarten op tafel: ‘En nu kleedt Monsieur Hawarden zich uit. Hij trekt zijn mannenkleren uit. En het zacht-linnen hemd rukt hij open. Haar borsten schijnen te leven in de magere handen.’
‘Hij’ wordt ‘haar’. De (of een?) waarheid wordt onthuld: Monsieur Hawarden is een vrouw in mannenkleren.

Mark Cloostermans

Volgende aflevering:
Van Mary naar Monsieur, van tomboy naar literaire creatie
(Monsieur Hawarden, Filip De Pillecyn, 2/4)

In ‘Held in hoofdstukken’ gaat Mark Cloostermans in literaire werken op zoek naar constructieve, niet-toxische opvattingen over mannelijkheid. De bespreking van een boek wordt telkens over drie à vier afleveringen gespreid.

Boekenlinks: