Met uitgestreken smoel

Emeritus-dichter, heer van stand en voormalig langjarig directeur van het, toen nog Letterkundig Museum, Anton Korteweg doet van zich spreken met zijn vijftiende bundel Ik, om maar iemand te noemen. Een passende titel, gezien de inhoud. De observator, inmiddels dertigduizend dagen oud, die de eigen positie in het universum herwaardeert, in clusters van gelieerde gedichten letterkundig verleden, de verwondering over het heden en het lichamelijk verval verbindt.

Korteweg die, tegen wil en dank, op de eerste rij zit van de film van zijn leven. Kleine gebeurtenissen in het heden die versmelten met details uit het verleden. Het leven dat, voor de degene die het wíl zien, rond gemaakt wordt.

De bundel is ingedeeld in drie akten: Dobberend op de levenszee, Koester je makkelijk te vullen kinderhand en Neurie je nadagen blijmoedig uit. Dat alles voorafgaand door een motto van W.H. Auden. Je hoort het Korteweg fijntjes geaffecteerd uitspreken: It is genuine in age to be happily selfish. Maar, en dat is naast de bevattelijkheid en de vrolijke melancholie de grootste kracht, Korteweg is niet zelfingenomen, hanteert precies voldoende zelfspot.

‘Studeren in ’t Bataafs Atheen, de stad / waar je Weledel werd, zomaar ineens, op slag, / en na een paar jaar ook nog eens geleerd […] Van dorpsjongen tot heer, het kon niet op. […] Alleen in noodgevallen keek en kijk ik ernaar om. / Toch lijk ik nog vervaarlijk op een heer.’
Wol ophouden voor de moeder, glunderend tweehoofdig rondlopen, een peuter op de schouders. Kleine dingen uit de jeugd. Flarden die hun waarde hebben behouden. ‘De dag plukken is vaak te veel gevraagd.’ De man in de nadagen die blij is dat het leven hem nog bij de haren uit de kleine dood sleept. ‘Ik mag nog meedoen. En dat is wat telt.’

Het observeren van een boom, gewoon omdat er tijd voor is. Een vrouw die vraagt waar de dichter precies naar kijkt. Er moet immers iets bijzonders zijn, een aanleiding, een uil of zo. Korteweg die naar binnen gedraaid is, zich juist afvraagt of het beeld genoeg is. Of dat hij een ouwe lul is wiens kinderhand snel is gevuld.

Nee, Korteweg steekt tussen de ‘natuurgedichten’ fel van leer. Hij denkt niet alleen aan zichzelf, krijgt een nieuwsbeeld niet uit het hoofd. De moderne piëta. Moeder met kind. Dankzij het ‘uitverkoren volk’, zo stelt hij, is hem een welverdiende nachtrust niet gegeven. De verwondering die omslaat in verontwaardiging. Zelfs Jozua 10 vers 13 wordt daartoe ingezet. (De zon die stilstond totdat het volk zich op de vijanden had gewroken.)

Hij hoeft geen tweede keer. We kunnen ’t nu wel af / zonder zijn hulp. Wil je een flinke volkerenmoord, / is zonnestilstand volstrekt overbodig.

Waarna hij zich afvraagt of hij ergens nog, ‘maar waar’, de christenknaap gebleven is die vreest dat hij voor niets uit volle borst gezongen heeft.

In Koester je makkelijk te vullen kinderhand toont Korteweg zich ook van zijn ingehouden geestige kant. Een nieuwsbericht over een motorrijder die zich bij Hellegat dood heeft gereden laat hem cyclisch de beweegredenen en het bermmonument – een lego Kawasaki – overdenken. Terwijl hijzelf racet over de Brouwersdam bij Hellegat. In het algemeen is Korteweg iemand van de bijzin die net even een tikje aan het geheel geeft, de broodnodige twist.

Zo ook in de serie over bloemen, bollen, tulpen, de magnolia. De verzen ogen fijntjes, maar er zit telkens weer een rafelrandje aan.

Die bollen, met zijn allen zijn ze onverslaanbaar. / Je wordt verslagen door de kleur, hun enige wapen. / En winnen kun je nooit. Ze zijn met veel te veel.
[…]
Ach Clusius, had maar / een eeuw of vijf terug die bolle knakkers/ met bloemen als gebarsten eierschalen / gelaten waar ze waren: in hun moederland, / hadden we hier geen bollenstreek gehad. […] Die Roomse gele zijn het ergst, die worden / afgevoerd naar het Vaticaan. Net goed. Met recht.

Neurie je nadagen blijmoedig uit is geestig praktisch, soms, waarom ook niet, gewoon op rijm. Het advies van Korteweg: scharrel wat rond, vraag jarig, iets wat opraakt of verdort, blijf thuis, voor je het weet, zit je onder de mensen. Het is niet erg dat je altijd veelbelovend bent gebleven, uitgebloeid raken is een heel gedoe.

Ook hier verbindt de dichter de jeugd met het heden. In het dorp van zijn jeugd had je drie soorten mensen: man, vrouw en een stoppelige oudtante. En daarnaast, zo blijkt, toch ook nog een heel pallet van ‘zonderlingen’.

Leef daarom wie je bent en laat je zien, / stap uit je kast, leef je de wereld in, / kijk daar blijmoedig om je heen, maak van / je nood een deugd. Huppel van gendervreugd.

Guus Bauer

Anton Korteweg – Ik, om maar iemand te noemen. Meulenhoff, Amsterdam. 80 blz. € 21,99.