Iemand die leeft

Atte Jongstra als biograaf. Wie had dat gedacht? De man die zich niet in de laatste plaats van andere schrijvers onderscheidt door graag tamelijk excentrieke invalshoeken te kiezen. De man die zich soms ook wel als beeldend kunstenaar heeft gemanifesteerd. Past dat wel bij het schrijven van een biografie, toch in eerste instantie het serieuze levensverhaal van een ander. Het werd Inkt, bloed & liefde, over dichter en bioloog Leo Vroman, de in 2014 overleden literaire en wetenschappelijke grootheid, over wie Mirjam van Hengel in 2014 al het veelgeprezen en -gelezen levensverhaal Hoe mooi alles schreef.

Jongstra werd er voor gevraagd. Ook al wist hij tot dat moment nauwelijks iets over Vroman. Dus moet de uitgever wel specifiek aan de Jongstra-approach hebben gedacht. De Arbeiderspers wilde, mag je aannemen, dus geen ‘academisch’ feitenrelaas, maar een intrigerend. mensenverhaal. Niet raar, want de Joodse dichter had een aansprekend humaan karakter. Dat stelde Mirjam van Hengel ook prachtig vast in haar werk. Zij koos in de eerste plaats voor de onverbrekelijke relatie tussen Vroman en zijn levenspartner Tineke, die door de jaren en oorlogen heen onwrikbaar in stand bleef. Zware jaren, die Vroman evenwel niet zijn levensvreugde en oog voor het goede ontnamen.

Van Hengels ontroerende ‘liefdesverhaal’, waarin ook al talloze biografische elementen verwerkt zijn, was geen biografie in de high brow betekenis van het woord. Afgesloten door vier kantjes met bronnen wel serieus voor een overzichtelijk werk van 326 bladzijden. Een boek dat geen volledigheid nastreefde, geen academische pretenties had, maar wel vele drukken beleefde, omdat de menselijke veerkracht en het onaantastbare geloof in vrede en liefde zo schitterend tot uitdrukking kwamen. Jongstra prijst dit werk ook, maar noemt haar eveneens een ‘psychologiserend auteur’, die je op haar woord moet geloven, aangezien ze vaak ‘geen onderscheiden vind- of bewijsplaatsen opnam’.

Wat denk je dan als uitgever, die het leven van Leo Vroman verder uitgediept wil zien. Toch maar een ‘officiële’ biografie, zo’n werk waar een thema-nerd zijn halve leven op gezwoegd heeft en daarbij geen snipper onbesproken laat? Met uitputtende verantwoording daarvoor, ook dat nog. Of iets anders? Een wat minder voor de hand liggende benadering. Serieus, maar met meer begrip voor de potentiële lezers dan voor de academici, die hun spitwerk doorgaans pas geslaagd vinden als het uiteindelijk maar ergens in een gerenommeerde dossierkast opgesloten wordt.

Zo bezien was de keus voor Jongstra, die zelf verbaasd zei te zijn geweest door het verzoek van De Arbeiderspers, wel begrijpelijk. Hij heeft immers een kunstzinnige geest, die gemakkelijk verbanden legt. Bijna honderd jaar Leo Vroman moet je niet willen samenproppen in een in zo’n geval toch altijd te beperkend boek, daar krijg je maar rode oogjes van en geen begrip voor de man die zulke aangrijpende poëzie schreef, die voortkwam uit een al even aangrijpend leven.

De in de minimale inleiding opgenomen woorden van Vroman ‘Ik denk niet, maar hoop wel dat mijn literaire werk iets wezenlijks achterlaat’, onderschrijft het idee dat deze biografie de lezers wil bereiken. Wat heb je er anders aan, even afgezien dus van de beroepsmatige lezers en archivarissen? Jongstra is daarna meteen zo bescheiden om zich af te vragen of zijn biografie tot dit wezenlijke behoort. Ook de vier citaten, nog daarvoor afgedrukt, refereren aan Vromans levensinstelling er te hebben willen zijn voor en levend tussen zijn medemensen.

Ik zie mijzelf als een voorbeeld van de werkelijkheid, van iemand die leeft. We hebben het daar niet genoeg over in de literatuur.

Biografieën hebben, afhankelijk van de schrijver, altijd een eigen gezicht. De ene biograaf zoekt bewust de controverse, de polemiek, het spektakel, Jongstra is iemand die meer houdt van de speelse terzijdes en kwinkslagen, de eigenzinnige associaties, de onverwachte bijvangst. De kunstzinnige benadering. Het maakt dit kloeke boek buitengewoon toegankelijk en ook empathisch. Precies zoals je je Leo Vroman voor de geest haalt. Want wat is een dichter zonder terzijdes, associaties en onverwachte bijvangst?

Het tussenwerpsel ‘Boem!’, wanneer Jongstra Roemer Vlacq (1637-1703) aanhaalt als een Jan van Speijk avant la lettre, net als Vroman geboren in Gouda, is een voorafschaduwing van zijn aanpak bij het schrijven van dit vuistdikke werk. De stijl moet immers wel uitnodigen om verder te lezen en je onder te dompelen in de wereld van Vroman. Die Joodse jongen, wiens vader Samuel Jacob leraar in exacte vakken op de hbs was en zijn moeder Anna docent wiskunde. Vromans biografie is opgedeeld in zes afdelingen. Diens kinder- en jeugdtijd schetsen de eerste indrukken van een gevoelige en kwetsbare, om niet te zeggen ziekelijke jongen. Maar gezegend met een elkaar onderling steunende familie- en vriendenkring, waarin de Joodse identiteit onmiskenbaar aanwezig was.

Jongstra schetst lichtvoetig Vromans jongelingenjaren, deels herkenbaar uit ieders jeugd, deels gekleurd door zijn milieu, een aspect dat naarmate de oorlogen dichterbij komen steeds nadrukkelijker een rol speelt. Van Leo’s oudere broer Jaap en zus is weinig bekend, wel dat broer Jaap aangestoken wordt door het zionisme. In tegenstelling tot zijn ouders. Leo krijgt daardoor veel mee van gezinsdiscussies, die hoog konden oplopen. Hij noemde later zijn broer ook het ‘enige Joodse aspect van mijn leven’. Jaap en Leo spelen hoe dan ook maar een beperkte rol in elkaars levens, wat Jongstra een vergelijking doet maken met Sir Arthur Conan Doyle’s personages Sherlock Holmes en diens broer Mycroft, over wie aanvankelijk niets bekend was, zelfs niet bij Sherlocks trouwe rechterhand dr. Watson.

Zulke ‘populaire’ vergelijkingen zijn nogal uitgebreid, zoals hij in deze biografie nogal eens tamelijk breedsprakig is en (zeer) ruim citeert. Jongstra’s eerder wat journalistieke dan academische schrijfstijl lijkt daar mee in tegenspraak, want op redacties heerst juist altijd de stelregel schrijven is schrappen. Vroege verliefdheden lardeert Jongstra met vroeg dichtwerk van Vroman. Boter bij de vis. Het voorkomt heen en weer geblader, al heeft deze biografie niettemin tweehonderd bladzijden aan notenmateriaal en bronnen.

Leo vlucht in 1940 nog net op tijd voor de ergste Jodenvervolgingen beginnen. Mogelijk zo ontijdig, omdat hij Tineke, die ondertussen in zijn leven is gekomen, niet wil achterlaten. Zij wilde graag mee, maar wordt daarvan weerhouden door haar moeder, die haar er te jong voor vindt. Veel Joden hadden al eerder een veilig heenkomen gezocht, maar de meerderheid bleef gewoon ‘thuis’, schrijft Jongstra, onder wie Leo’s ouders. Het is voor Leo het begin van een rusteloos leven, dat langs Nederlands-Indië voert en hem in Japanse kampen en later in de Verenigde Staten doet belanden. Nergens verlaat zijn kunstzinnige blik hem. Zo tekende hij in het kamp zijn eerste zelfportretten door zichzelf te bekijken in een toevallig gevonden fietsreflector.

Eenmaal in de Verenigde Staten na de oorlog, besluit Leo weer als bioloog te gaan werken. Hij blijkt er duidelijk niet de geknipte mens voor, te teerhartig misschien, te dichterlijk, bijvoorbeeld als hij voor een onderzoek naar bloedplaatjes een proefje op een konijn moet doen:

Ik kende mijn konijnen persoonlijk. Aan iedere nieuweling stelde ik mij voor, ik keek diep in de verlegen ogen, in zijn lange warme oren besprak ik fluisterend het weer – en daardoor dacht ik iedere keer hard en lang na, om zeker te zijn dat dit of dat proefje wel antwoord zou geven op een van mijn kleine theorieën, en of het dan de dood wel waard was van deze pluizige vriendin.

Maar er was altijd nog een ander leven: hij schreef en hij tekende en hij dichtte bovenal. Het lijkt zijn redding te zijn geweest. Dat proef je overal in dit boek. Jongstra is ook als biograaf duidelijk geen monomane verzamelaar van feitjes, geen stapelaar van dossiers, geen strenge indeler van levensfasen, hij maakt er in korte hoofdstukjes met niet zelden wat kolderiek aandoende titels (‘Het boekvormend orgaan’, ‘Toekomstmaal met lachpap’, ’Propjes, flitsjes, snippers’, ‘Strijd om de broek’), een fascinerende en steeds heel toegankelijke melting pot van.

Wel degelijk herleidbaar naar Vromans ontwikkeling en poëzie, maar ingebed in betekenisvolle zijpaden. Vermengd met stukjes van Leo’s persoonlijke aantekeningen, flarden correspondentie, ‘literair vormgegeven’ autobiografische teksten, dagboekfragmenten en herkenbare ervaringen van de dichter. Dus als een fragmentarisch plakboek, waarin je een heel mensenleven terugvindt. En ja, de poëzie zelf staat daarbij niet op de voorgrond, maar dit is dan ook geen verzameld werk en gelukkig is van Vromans oeuvre nog steeds aardig wat leverbaar.

Het resultaat van alle werk is knap eigenzinnig, maar dat hoort bij Jongstra. Het werd een ik zou haast zeggen licht olijke, dus wat ongewone, ongetwijfeld incomplete, maar absoluut tot verder lezen stimulerende biografie. Daar heeft het bij Jongstra toegeslagen enthousiasme over de aanvankelijk totaal onbekende dichter zeker toe bijgedragen.

André Keikes

Atte Jongstra – Inkt, bloed & liefde. Leo Vroman (1915-2014). Open Domein. De Arbeiderspers, Amsterdam. 998 blz. € 49,90.