Recensie: Fernando Pessoa – Faust. Een subjectieve tragedie
De kwelling van het denken
Er zijn mensen die zo verlangen naar een grenzeloze kennis, dat zij bereid zijn daarvoor alles op te offeren, zelfs hun ziel. Het is een motief dat al eeuwen in verschillende varianten opduikt. In het rederijkersspel Mariken van Nieumeghen (begin 16e eeuw) laat het hoofdpersonage zich verleiden door de duivel als hij haar belooft de ‘zeven vrije kunsten’ te leren. Zij weet zich uiteindelijk van hem te ontworstelen. Zo niet de hoofdpersoon van The Tragical History of Dr. Faustus van Marlowe (eind 16e eeuw), die zijn ziel verkoopt aan de duivel en aan het eind van zijn leven naar de hel wordt gesleept. Faust van Goethe (1808 en 1832) is beter af: hij komt tot inkeer en wordt gered. En dit jaar verscheen Fausta van Evi Aarens. Het voert te ver daarop in te gaan; het epos krijgt een afzonderlijk bespreking.
Bij Faust van Pessoa, een gereconstrueerde toneeltekst met als ondertitel Een subjectieve tragedie, is het anders: de hel zit bij leven al in zijn hoofd, en het hellevuur is zijn verstand. Hij wil het bestaansmysterie begrijpen, terwijl hij voortdurend beseft dat je alleen begrijpt dat het niet is te begrijpen. Als je het volgende leest, snap je dat volkomen: ‘Het grootste mysterie van het heelal, het enige mysterie, één en overal, / is dat er een mysterie van ’t heelal / bestaat, dat er een heelal, dat er iets is, / dat bestaan bestaat.’ Zelfs God kan het mysterie niet doorgronden, want die ‘begrijpt zichzelf gewoonweg niet’. Faust is er zelf ook onderdeel van en dat is meer dan beklemmend: ‘O, die eerste keer dat ik in mezelf / het eindeloze mysterie zag en / mijn hele jeugd in een uur verging!’
Faust is zich er voortdurend van bewust dat de werkelijkheid onkenbaar is. Wat mensen daarvoor aanzien is slechts een voorstelling daarvan, met verbanden die zijn geconstrueerd in hun hersenen. Zij zijn zich daarvan niet bewust, denken niet na, zij lachen, huilen, hebben lief, leven het leven. Toneel benadrukt deze thematiek nog eens: ook dat is een voorstelling. En, extra verwarrend, net als Shakespeare’s Prospero beschouwt Faust de mens van tijd tot tijd als ‘such stuff as dreams are made on’. In een dialoog met ‘[Vicente]’ zegt hij:
( <…> staat voor niet leesbare woorden in het handschrift van Pessoa)
De Nederlandse uitgave is tweetalig. De vertaler is Harrie Lemmens, die het boek ook van een interessant nawoord voorzag, met de treffende titel ‘Nawoord – de grenzen van het hoofd’. Zoals gezegd is het een (gereconstrueerde) toneeltekst. Het heeft enerzijds een traditionele vorm met zijn vijf bedrijven, vier entre’actes en een epiloog, maar anderzijds is het iets geheel nieuws: iedere handeling ontbreekt. Alles wordt gedacht, en die gedachten horen of lezen wij via ‘spelers’.
Pessoa heeft zijn schrijversleven lang met tussenpozen aan Faust gewerkt, maar het niet kunnen voltooien. De fragmenten borg hij op in een kist, met het plan die later te ordenen. Daar kwam het nooit van. Latere onderzoekers hebben het drama gereconstrueerd. Dat was niet altijd eenvoudig, want het werk bestaat uit gedichten waarvan het niet steeds duidelijk was of ze erbij hoorden. Ook is de datering (en daarmee de volgorde) niet altijd duidelijk.
In ieder bedrijf zie je nieuwe vruchteloze pogingen van het verstand om het mysterie te begrijpen of er in ieder geval mee om te kunnen gaan. In het eerste volgen we het ‘abstracte denken’. In het tweede probeert Faust het leven richting te geven, te beheersen, zonder het mysterie op te kunnen lossen. Vergeefs. Moet je je dan maar aanpassen aan het leven? Daarover gaat het derde bedrijf. Je past je het best aan door lief te hebben, maar daarvoor heb je emoties nodig en die kun je met je verstand niet oproepen. Werkt het dan als je je volledig overgeeft aan zinnelijk genot? (Vierde bedrijf). Niet denken, maar gewaarworden, je terugzien ‘in elke schittering / op de bolle buik van flessen’. Maar door die ‘leugen van het genot’ voelt Faust een leegte waar hij eerst een ziel had.
In het vijfde bedrijf zal hij rust vinden in de dood, waarvoor hij altijd een panische angst had. Wat doet de dood bijvoorbeeld met het mysterie? Zou het kennen nog erger zijn dan het niet-kennen? Het volgende gedicht staat bijna aan het eind van het tweede bedrijf:
De schijn van het leven is afschuwelijk,
maar de gruwel van de gedachte
dat de dood die schijn
omwrikt tot een werkelijkheid
die de juiste waarheid onthult,
o, die gruwel!
Maar als Faust aan het eind van zijn denken is, radeloos en doodmoe, begint hij er langzamerhand toch naar te verlangen. Gaat hij nu toch te waarheid zien, maar zonder gruwel? Het lijkt erop. De laatste twee strofen van ‘Hij die leed toen hij dacht’, waarin de dood hem toespreekt:
Het mysterie onderdrukt
en bevlekt je ziel met licht;
ik wil dat je met mij mee oprukt,
voorbij het wazig aanzicht
van sterren, naar een hoger licht.
Voorbij de rust is reeds gelukt,
nu nog voorbij het licht.Triest wie weent en lacht
en behalve lachen en wenen,
ook nog heeft nagedacht …
Kom, de liefde is niet verdwenen.
‘O dood, kom me meenemen!’ zegt Faust vervolgens. ‘Kom mijn zoon, ik wacht’, antwoordt deze.
En wij blijven met het mysterie achter.
‘Interpreteren is niet kunnen uitleggen. Uitleggen is niet begrepen hebben’, zei Pessoa eens. Neem deze recensie voor wat hij waard is, maar wees er zeker van dat de indrukwekkende vertaling van Harrie Lemmens een aanwinst is voor de Nederlandstalige poëzie.
Hans Puper
Fernando Pessoa – Faust. Een subjectieve tragedie. Vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens. De Arbeiderspers, Amsterdam – Antwerpen. 437 blz. € 32,50.

