Gewetensvol kijken

Bibi Dumon Tak neemt ons in Zomer op de gifbelt mee naar de Volgermeer, haar vaste wandelgebied. Om het beter te leren kennen besluit ze in de zomer van 2025 om er ter plekke te gaan schrijven. En plein air. Dat lijkt gemakkelijker dan het is, want om recreatie tegen te gaan staan er in het hele gebied geen tafels. Dus plaatst Dumon Tak haar laptop op het rekje boven de voorband van haar fiets of schuilt ze onder een stalen informatiebord. Ook is er geen verkoeling te vinden, want bomen mogen er niet groeien: ‘Zou er een omwaaien dan trekt de kluit de grond mee waardoor de folie bloot komt te liggen’. En onder die folie bevindt zich de grootste chemische afvalberg van West-Europa. Om welk en om hoeveel gif het precies gaat is niet bekend, maar men houdt rekening met dertigduizend vaten gevuld met een middel dat in de Vietnamoorlog werd gebruikt om de jungle te ontbladeren.

Weinig aanlokkelijk lijkt het, om een zomer op een gifbelt te verkeren, maar Dumon Tak weet het extensieve natuurgebied vol zorgwekkende, persistente, verontreinigde stoffen met haar zwierige, spitsvondige stijl een aanlokkelijke lading te geven:

Het riet ruist, de krekels striduleren, de wind strijkt over het water en spoelt de wolken uit het oppervlak. Juni is voorbij. Er krijst een kleine mantelmeeuw en daar is een golden retriever die de boel verstoort door achter een bal aan het water in te galopperen. Broedseizoen. De baas trekt zich er niets van aan. Er is een rietzanger neergestreken. Die vogels zingen altijd alsof ze in een rechtszaal hun zaak staan te bepleiten. Met hun geheven kopje schreeuwen ze zich bijna los van hun stengel: Ik heb gelijk, en wel hierom!  Driehonderdvijftig grauwe ganzen vliegen gakkend over, verstoord door een sportvliegtuig. De baas gooit de bal voor haar hond midden tussen de meerkoeten en futen die jongen hebben. De vogels stuiven uiteen en de baas zegt: ‘Braaf!’ En de krekels zijn onverstoorbaar zoals ook de bij in het knoopkruid. Wie beweegt jaagt weg, wie zit die lokt.

Zo mijmert, observeert en analyseert Dumon Tak met de slapende dioxine onder haar voeten. Ieder levend wezen dat ze ontmoet, krijgt een filmische omschrijving, zoals de roerdompen: ‘van die houten vliegtuigen met scharnierende vleugels’. En passant geeft ze rokers op hun falie, fulmineert ze tegen jagers, ridiculiseert ze (volkomen terecht) gemeentelijk beleid, reflecteert ze op de gifbelt die mensen – vanuit onmacht – onder hun huid met zich meetorsen en bevraagt ze wat het betekent als dat ingekapselde gif bij tijd en wijle naar buiten lekt.

En steeds speurt ze naar beurse plekken. Ook bij zichzelf. Onverschilligheid is een van haar grootste angsten en dus zet zij haar zorgen om de verwaarloosde natuur om in daden. Ze stapt over haar smetvrees heen en raapt. In 23 dagen verzamelt ze ‘1043 gram aan snoepwikkels, dopjes, kauwgom, elastiekjes, speldjes, papiertjes, een bierflesje, blikjes en een gouden ketting. In totaal 308 peuken, waaronder twee van een sigaar.’ Alles om niet enkel toe te zien en dus medeplichtig te zijn.

Eigenzinnig geeft Dumon Tak invulling aan het thema van de onvolprezen Terloopsreeks. Alle deeltjes kennen de ondertitel ‘Een wandeling’.  Dumon Taks kleinood is echter eerder een oproep om het wandelen, de stappenteller en de weekchallenge te vergeten en om vanuit stilstand het dynamische leven om je heen te bezien: ‘hoe langer je stilzit, hoe meer het leven je omringt.’ Beter wandel je dus net als Dumon Tak naar een afgelegen watertje en omarm je het alleenstaande bankje:  ‘Er zal zich al snel een theaterstuk ontvouwen, eenmalig opgevoerd, uitsluitend voor jou.’ Maar lees dan wel dit boekje vooraf. Want observeren kun je leren en Dumon Tak laat je gewetensvol kijken, zowel boven als onder de oppervlakte.

Miriam Piters

Bibi Dumon Tak – Zomer op de gifbelt. Een wandeling. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam. 70 blz.  € 13,50.