Flaneren zonder hoed

Nog niet zo lang geleden wilde de CPNB voor het Boekenweek-themaboekje af van de genre-aanduiding essay. Want dat zou zo’n moeilijk woord voor jongeren zijn. Christiaan Weijts herinnert er nog even aan in zijn essaybundel Flaneren kun je leren. En hij brengt meteen in herinnering dat hij als gastschrijver aan de Universiteit Leiden zijn jonge studenten kon vertellen dat ‘alles mag en kan’ in een essay. Ofwel totale vrijheid. En liet nou juist dát voor hen zo eng en confronterend zijn.

Weijts houdt duidelijk van het essay, dat hij in een van de stukken, eerder verschenen in NRC, De Groene Amsterdammer en Den Haag Centraal, ‘literaire jazz’ noemt. Tja, jazz, ook weer zoiets, waar jongeren vaak kriebelig van worden. Te veel vrijheid misschien, zonder die dwingende beats?

Het essay kan de ware biotoop zijn van een schrijver, die zich in geen enkel ander genre echt thuis voelt. Voor Weijts geldt dat overigens niet, hij schrijft ook romans, maar het essay is nooit ver weg. Het meanderende, associatieve, soms heel persoonlijke of juist journalistiek beschouwende verhaal, dat elke, soms spontaan ingeslagen, zijweg kan bewandelen. Flanerend kun je zeggen, zoals terug te vinden in de titel van deze bundel, tenminste als je onder flaneren het rustig mijmerend rondwandelen verstaat. Met ogen, oren en geest open. Het ter plekke etaleren van jezelf is voor Weijts niet aan de orde. Dat komt later, al schrijvend wel.

Weijts’ flaneren is dus niet het in opzichtige kledij en uiteraard met hoed over een vrolijk geïllumineerde boulevard schrijden, knipogend, flirtend, misschien wel hopend op een amoureus avontuur. In zijn beleving gaat het puur om meer opmerken in plaats van alleen maar kijken. Ik weet niet of ik dat flaneren zou noemen. Cees Nooteboom, achterin aangehaald, stelt dat je het hebt of niet. Dus iets dat kennelijk niet te leren valt, al beweert de titel van deze bundel het tegendeel.

Schreef Weijts zijn soms breed uitwaaierende verhalen in de drie genoemde bladen al met het idee er later een soort landschapsbeleving van te construeren? Dat Peter Nijssen van de uitgeverij ‘hielp om van dit alles een leesbare stad te maken’, zoals het in het Achteraf is verwoord, suggereert van niet. Het bevestigt het idee dat het een enigszins geforceerde formule is, met in voor- en achterflap zelfs een fictieve stadskaart, waarop punten met cijfers staan, die zouden verwijzen naar de ‘hoofdstukken’, dus geen essays, die ook nog eens niet genummerd zijn.

Het is oude-jongenshumor bij een verzameling van maar oppervlakkig met elkaar samenhangende essays over zeer uiteenlopende onderwerpen, die niet zelden net zo goed thuis tot stand hadden kunnen komen of zijn gekomen. Het kiezen voor de stadsformule beperkt bovendien het totale vrijheidsgevoel dat, volgens Weijts, juist zo kenmerkend is voor het essay.

Door ‘essays op locatie’ als ondertitel te kiezen en er een heus flaneer-intro aan toe te voegen, lijkt de samenhang nog een beetje verder benadrukt dan hij in werkelijkheid is. En juist daar laat Weijts, overigens wel op meer plaatsen, zich kennen als de toch wat elitaire NRC-medewerker; correct en voorzichtig, zich braaf voegend naar de lichtgeraakte tijdgeest, hier een beetje conservatief, daar een beetje naïef en soms heel verbaasd over wat de gewone mensen zoal doen:

Het rommelige geïmproviseerde leven bevindt zich ook gewoon om de hoek.

Om de eigen ervaring maar meteen algemeen geldend te verklaren voor iedereen die zich door dat strategisch bescheiden ‘we’ aangesproken voelt:

De stad wordt een natuurlandschap, waarin je de verschillende types observeert. Op de Markt kan dat het beste. Daarbuiten is het opvallend hoe opgesloten we zitten in onze eigen wijkjes, met amper een benul van het geheel en van de wijze waarop die afzonderlijke stadseilanden aan elkaar verbonden zijn en met elkaar vergroeid.

In Weijts’ rijk gestoffeerde hoofd (dixit Willem Brakman) ontspringen vrijwel overal waar hij gaat historische citaten van denkers en schrijvers. Charles Baudelaire, Louis Couperus, Susan Sontag, Walter Benjamin, Virginia Woolf, you name it. En dat allemaal gewoon tijdens het flaneren in Den Haag en omgeving. Het onder de knie krijgen daarvan zal er voor velen zo niet gemakkelijker op worden.

Is Weijts’ bundel dan een wat irritante, geforceerd onder één noemer gebrachte, verzameling losse stukken? Nee, dat nou ook weer niet, Weijts schrijft aantrekkelijk, open-minded en met talrijke leuke gedachtesprongen. Ook over lichtere thema’s als stadsstickeraars versus graffitispuiters, zelfscannen (en nog erger), stokoude Apple-computers, heropgestart na decennia van stilstand, die doodleuk vragen of je alsnog door wilt gaan met het spelletje waar je in je jeugd mee bezig was, een gehackt Spotify-account en de jammerlijke teloorgang van de geheimzinnige oude huizen. Liefdevolle observaties van zijn gezin krijgen eveneens een plaats.

Centraal staan echter de min of meer maatschappelijk of literair bewogen onderwerpen, deels gekleurd omdat ze werden geschreven in coronatijd. Mooi is bijvoorbeeld zijn beschouwing over ironie en symboolblindheid naar aanleiding van het bewonderde werk van Gerard Reve. Vervolgens verdergaand op Reves woorden dat symbolen de hitteschilden zijn die ons ‘het aanschouwen van het Mysterie zelve beletten, en die ons aldus behoeden voor de onmiddellijke Godsbeleving’. Weijts trekt die metafoor door; geldig voor ironie als stijlmiddel. Want ‘die onthult en schermt af, verheerlijkt en bespot in één beweging’. Waarbij Weijts meteen duidelijk maakt waarom rechtsradicalen niet schijnen te begrijpen dat ze Reves woorden niet zomaar voor eigen gewin kunnen gebruiken.

Al even breed opgezet is zijn essay over nostalgiebeleving, uitkomend bij de slotsom dat terugverlangen nooit ergens toe leidt. Of je, zoals hij doet, daarbij Brexit, Baudet, de gele hesjes, het herinvoeren van het ziekenfonds en meer saamhorigheidsgevoel zo eenvoudig op één hoop kunt vegen, is dan aan de lezer zelf. Precies wat de vrijheid van het essay mogelijk maakt.

André Keikes

Christiaan Weijts – Flaneren kun je leren. Essays op locatie. De Arbeiderspers, Amsterdam | Antwerpen. 390 blz. € 26,99.