Een geur van hoger honing

Enige durf kan Evi Aarens niet worden ontzegd. Met haar Fausta sluit zij zich aan bij de grootheden Marlowe, Goethe en Pessoa, die ieder hun eigen Faust schreven. Voor zo’n ambitie is moed een noodzakelijke voorwaarde, aldus haar leidsvrouwe Beatrijs, de amoureuze non uit de nog altijd ontroerende 13e-eeuwse Marialegende.

Toen zij haar spraakmakende debuut Disoriëntaties schreef, zat Evi Aarens op het gerenommeerde Monknash College in Wales. Zij was daar intern, en tijdens het ontstaan van Fausta nog steeds. Het college, en dan met name haar kamer en de leeszaal, is de uitvalsbasis voor de verbeelde gebeurtenissen in dit lange epische gedicht dat uit 34 canto’s bestaat. De heldin (Evi) verlangt hartstochtelijk naar inspiratie voor een indrukwekkend epos, maar die blijft uit totdat de muze van de epiek, Kalliope, aan haar verschijnt. Zij doet Evi een Faustiaans voorstel: zij zal haar de technische vaardigheden en het poëticale inzicht verschaffen om een werk te schrijven dat zich kan meten met de grootste epische gedichten uit de Nederlandse letterkunde. Ze heeft één voorwaarde: ‘Jouw naam // Blijft voor de meute een mysterie, want: / Verklappen wie jij bent onteert ons meesterpact’. Alle aandacht moet gaan naar het epos, niet naar de maker.
Evi stemt toe en zij krijgt net als Marlowe’s Faust een tatoeage: O HOMO FUGE (O mens, vlucht). Niet als hij op haar arm, maar op haar rechter schouderblad. Maar vluchten kan niet meer, en dat wordt Evi hiermee ingepeperd.

Haar verbeelding gaat aan het werk – een wezenskenmerk van alle goede poëzie. Ze ontmoet Reynaerde, de legendarische vos, die haar in contact brengt met Elegast, de roofridder uit noodzaak uit de befaamde ridderroman Karel ende Elegast. Deze steelt voor haar een zak Middelnederlandse meesterwerken, waaronder Beatrijs en Mariken van Nieumeghen. Zelfs het nooit teruggevonden Madoc zit erin!
Op het eerste gezicht bevreemdt de inhoud van de zak je, want Beatrijs verscheen zeker vijftig jaar later dan Karel ende Elegast en Mariken pas aan het begin van de zestiende eeuw. Maar dat stoort in het geheel niet, want grote literatuur is tijdloos. De traditie moet je als dichter grondig kennen, je moet je ermee verbinden om zelf iets groots (en eigentijds) te kunnen maken.

Beatrijs komt tot leven en wordt Evi’s leidsvrouwe bij haar tocht naar poëtisch meesterschap. (Gezien de vele verwijzingen naar De goddelijke komedie van Dante associeer je haar onvermijdelijk met Beatrice, die, nadat Vergilius zijn taak had volbracht, de gids van de ik-figuur naar het paradijs was). Beatrijs leidt haar door de zeven tuinen, met dezelfde valkuilen als de terrassen van Dante’s louteringberg, de voorbereiding op de tocht naar het paradijs. Hoogmoed en hebzucht horen daarbij en de zevende tuin, onvoorstelbaar mooi, is die der wellust, hier op te vatten als vrouwelijke poëtische rijkdom. ‘Wellustig is een adjectief dat kerels plakken op een vrouw / Die op gedecideerde wijze in haar lichaam woont’, zegt Helena van Troje, die nu in de zevende tuin woont. Met haar, Penelope en Beatrijs maakt Evi een rondedans. Zij geven Evi hun zegen voor een epos dat de meesterwerken uit de Nederlandse historische letterkunde zal evenaren. Helena, zonder wie mannen als Shakespeare, Marlowe en Goethe ‘nooit ook maar één / Regel poëzie aan onze letterkunde hadden toegevoegd’, wil nu eens inspirator zijn van een vrouw die wordt aangeraakt door ‘Het verlangen een gedicht te schrijven voor haar tijd’.

Terug in de tuin van het college ziet Evi het zwevende schaakbord uit de Arthurrroman Walewein. Het landt in de leeszaal en er volgt een schaakpartij tussen Kalliope en Evi, die haar ban wil verbreken. De stukken gaan volstrekt hun eigen gang; je zou het schaakbord kunnen zien als poëzie of verbeelding, die hun eigen wetten stellen. Evi wint, de tatoeage verdwijnt en haar geestelijk vader Lodewijk van Oord maakt zich bekend. It’s a joy to be hidden but a disaster not to be found, lijkt me.

In De goddelijke komedie bestaat het eerste deel uit 34 canto’s: een voor het voorwoord en 33 voor ‘De Hel’. Ze zijn opgebouwd uit terzinen en een afzonderlijke laatste regel. In Fausta gaat het om 33 gelijksoortige canto’s en een dat je kunt beschouwen als een nawoord, waarin van Oord zijn voornaam via een acrostichon bekend maakt: ‘Bij Lodewijk’, te vergelijken met ‘Bi Willeme’ in de laatste regels van Van den Vos Reynaerde. (De hoofdletters en spaties zijn van mij). Grappig is de regelnummering in de kantlijnen, zoals in tekstedities van historische letterkundige werken. Het gaat immers om een meesterwerk dat de eeuwen zal trotseren!

Je kunt Fausta lezen als een hartstochtelijk pleidooi voor de verbeelding tegenover de alomtegenwoordige semi-autobiografische ik-poëzie. Navelstaarderij, aldus Evi. De poëtica die zij gaandeweg ontwikkelt sluit aan bij die van modernisten als T.S. Eliot, Ezra Pound en Nijhoff. Niet alleen de verbeelding is van groot belang, maar ook de autonomie van de poëzie. Voorts dien je de literaire traditie door en door te kennen; dat geeft je ook de mogelijkheden tot intertekstualiteit, wat de tekst voller en rijker maakt. Maar je moet de traditie niet klakkeloos navolgen. ‘Make it new’, zei Pound. Daarin slaagt Evi wonderwel: ze gebruikt Dante, de Middelnederlandse en Klassieke literatuur voor een authentiek 21e-eeuws werk. Veel modernisten hebben ook een voorkeur voor maskerade, om afstand te nemen van het romantische, al te persoonlijke ik. (Zie bijvoorbeeld Pierrot van Nijhoff). En, zeer belangrijk, je grijpt naar het hoogste: poëzie is ‘De schakel tussen wat een mens vermoedt en wat die mens / / In taal vertolken kan. De dichter die dát werk verzaakt / Wordt door Kalliope meedogenloos gestraft.’ Taal moet zingen:

Het wonder van de taalkunst steeds opnieuw
Volmaken met een lied dat leeft en zingt.
Want zonder verse zuurstof sterft het woord.

Zingt dit? Oordeel zelf.

Het zou interessant zijn om het werk dat Lodewijk van Oord onder zijn eigen naam schreef te vergelijken met dat van Evi Aarens en de romanschrijver Clovis E. van Wijk (eveneens een heteroniem), die een roman schreef over Evi Aarens en haar debuut Disoriëntaties. Wat zijn mogelijke literaire motieven voor deze keuzen? Het voert te ver om daar in deze recensie op in te gaan, maar dat komt wellicht later.

Is Fausta een werk dat de eeuwen zal overleven? Nee. Het beste van de afgelopen 100 jaar? Ook niet. Maar het hoort bij het beste wat in de afgelopen jaren is verschenen.

Hans Puper

Evi Aarens – Fausta. Querido, Amsterdam. 208 blz. € 29,99.