Recensie: J.J. Voskuil – Het zwijgen. Dagboeken 1987-2007
Een vergiftigd huwelijk
Naast zeven delen Het Bureau, de zo’n zesduizend bladzijden tellende autobiografische roman waarin J.J. Voskuil op gedetailleerde wijze zijn leven, en niet alleen dat van hem, en zijn werk aan het Meertens Instituut beschrijft, is er nu ook het zeven delen tellende dagboek, alles bij elkaar ook zo’n zesduizend bladzijden, waarin J.J. Voskuil op gedetailleerde wijze zijn leven, en niet alleen dat van hem, en zijn werk aan het Meertens Instituut beschrijft.
Een conclusie zou kunnen zijn, dat Voskuil niet het soort schrijver is dat het zo lekker kort en bondig kan opschrijven, maar dat is niet helemaal juist. Hij moet het ook niet hebben van fraai opgebouwde, barokke zinnen die alinea’s lang over de bladzijden meanderen, zijn zinnen zijn nooit uitzonderlijk lang. Hij schrijft zelfs vrij strak. Het enige is dat hij werkelijk álles opschrijft. Complete dialogen bijvoorbeeld, die evengoed hadden kunnen worden samengevat. Voskuil is een schrijver die met microscopische precisie de dagelijkse werkelijkheid vastlegt.
Neem de eerste bladzijden van het eerste deel van Het Bureau, waarin Maarten Koning en zijn vrouw een bezoek brengen aan meneer Beerta. Het begint met de begroeting, dan het voorstellen van Nicolien. Beerta doet een kleine stap opzij. ‘Komen jullie binnen.’ ‘We komen toch niet ongelegen?’ ‘Jullie komt niet ongelegen,’ antwoordde Beerta zuinig. ‘Ik ga jullie voor’. Volgt een beschrijving van de kamer van Beerta van elf regels. Dan: ‘Gaan jullie zitten’ gevolgd door: ‘Ze gingen zitten’. ‘Willen jullie misschien een kopje thee?’ Enzovoort.
Als begin van een roman, die het oogmerk heeft om de uit dit bezoek voortkomende loopbaan van dertig jaar te beschrijven, lijkt dit alles nogal omslachtig opgeschreven, maar: introductie van de hoofdfiguren, kader scheppen, sfeerbeschrijving – dat zit er ook in, dus enige uitweiding kan geen kwaad. Maar dat uitweiden houdt niet op. Enfin, de liefhebbers van Het Bureau weten dat, die zouden niet anders willen.
Na het bezoek aan Beerta zegt Nicolien: ‘Ik dacht dat je ook de pest aan de wetenschap had.’ Maarten: ’Aan mensen die er status aan ontlenen, ja! Die denken dat het belangrijk is!’ ‘Je hoeft niet zo te schreeuwen!’ ‘Ik schreeuw niet.’ ‘Ik vraag je toch alleen wat?’
Een typerende woordenwisseling voor het echtpaar Maarten en Nicolien Koning/Han en Lousje Voskuil, zo zal al spoedig uit Het Bureau en de dagboeken blijken, er zullen nog vele woordenwisselingen, onenigheden, meningsverschillen en ruzies volgen. Ik kom daar zo op terug.
Eerst over het schrijverschap van Voskuil. Al die duizenden bladzijden die hij heeft geproduceerd, getuigen in elk geval van consistentie. Ook in zijn debuutroman, Bij nader inzien, verschenen in 1963, opgedragen aan L[ousje], 1207 met achtpunts letters zonder veel wit tussen de regels bedrukte bladzijden, kijkt hij niet op een woord meer of minder. Ook die roman opent met een entree en een begroeting. Maarten Koning (toen al het alter ego van de auteur) trekt een glazen tussendeur open, sluit die weer achter zich, loopt de trap op en geeft zijn oom Mart, die hem Marten noemt, een hand.
Bij nader inzien was bepaald geen succes. De kritiek moest er weinig van hebben. In Algemeen Handelsblad oordeelde Ben Stroman dat de roman ‘naar literaire maat gemeten slechts een enkele maal [getuigt] van schrijverstalent’. In Het Vrije Volk zei Alfred Kossmann: ‘Zijn volledigheidsmanie is een curiositeit, die men als zodanig onthullend of belachelijk kan vinden, maar die bij de beschrijvingen geen enkele artistieke kwaliteit heeft.’ (En Voskuil was nog wel de zoon van de toen-oud-hoofdredacteur van Het Vrije Volk.) Adriaan Morriën concludeerde in Het Parool dat ‘Voskuil met Bij nader inzien een ongewoon en intrigerend schrijverschap bewijst, maar dat hij zich een beetje aan Musil, de Amsterdamse studentenwereld en zijn autobiografie heeft vertild.’
Ook de verkoop hield niet over. Een deel van de oplage belandde bij De Slegte, maar desondanks verscheen in 1985 een tweede druk. Dat het boek überhaupt is verschenen, was te danken aan Voskuils vriend Henk Romijn Meijer, die Geert van Oorschot, na een eerste weigering door uitgeverij Querido, er warm voor wist te maken.
Van begin 1964 tot begin 1968 werkte Voskuil aan een tweede roman, Binnen de huid, minder omvangrijk en met opnieuw Maarten Koning als hoofdpersoon, die hier wordt opgevoerd als ik-persoon. Het boek verschijnt pas in 2009, na het overlijden van Voskuil. Van 1990 tot 1995 schreef de Voskuil de zeven delen van Het Bureau. Ze verschenen tussen 1996 en 2000 en vormen de omvangrijkste roman uit de Nederlandse literatuur. Misschien dat alleen Van der Heijden daar nog aan kan tippen. Elk deel van Het Bureau bevat een personenregister. Omdat Voskuil, zoals hierboven gezegd, niet alleen zijn eigen leven zeer gedetailleerd beschrijft, maar ook dat van anderen – de studievrienden in Bij nader tot inzien, zijn collega’s in Het Bureau, maar ook zijn vrouw, zijn buren, zijn vrienden – is het logisch dat alle personages in de romans gefingeerde namen hebben. Wie daar in werkelijkheid achter schuilgaat, is deels te vinden op internet.

In de dagboeken blijft maar één persoon anoniem, en dat is, hoe kan het anders: X. Zij was ‘van 1983 tot zijn overlijden in 2008 de geliefde van J.J. Voskuil’, lezen we in het register. Uit een voetnoot bij de aantekeningen van 25 december 1984 leren we: ‘Voskuil had sinds begin 1983 een amoureuze relatie met X. X stelde Lousje Voskuil-Haspers hiervan in de loop van 1984 op de hoogte. Voskuils echtgenote veronderstelde dat de relatie hiermee beëindigd was. Niettemin bleven Voskuil en X tot zijn overlijden, buiten medeweten van zijn echtgenote, innig bevriend.’
Over die amoureuze relatie c.q. innige vriendschap doet Voskuil, ondanks zijn ogenschijnlijke openhartigheid, er in zijn dagboeken het zwijgen toe. Hij noemt X. als hij haar vanuit de verte ziet of als Lousje haar, meestal in verwijtende zin, te berde brengt. Een enkele keer schrapt hij een zin waarin hij aan X. refereert uit zijn dagboek, de bezorgers Thomas van Grafhorst, Detlev van Heest en Mirjam Lucassen herstellen dat. Die hadden overigens geen eenvoudige klus aan hun werk, omdat Lousje Voskuil hele stukken het het dagboektyposcript had weggeknipt. Voskuil bewaarde ook de schriften waarin hij zijn dagboek noteerde, zodat de door de weduwe gecensureerde fragmenten konden worden teruggeplaatst, maar juist over de periode waarin de amourette zich afspeelde, heeft hij zelf de manuscripten vernietigd. (In zijn dagboek zegt Voskuil vaak dat hij zijn dagboeknotities heeft uitgetypt, niet zelden met weerzin.)
Het zal niet verbazen dat hele passages uit het dagboek letterlijk zijn terug te vinden in Het Bureau. Het gaat dan niet alleen om beschrijvingen van situaties, maar ook om dialogen. Het Bureau, deel 7, De dood van Maarten Koning, en Dagboek, deel 7, Het zwijgen, beginnen vrijwel identiek, met een scène waarin Nicolien/Lousje haar territorium afbakent nu Maarten/Han de meeste van zijn tijd thuis zal doorbrengen, en dat bij voorkeur afgezonderd. Het is de dag na zijn afscheid van het instituut. Hij maakt aanstalten om het ontbijt af te ruimen. Hij moet dat dan wel doen zoals zij het doet. ‘Ik zal het wel op mijn eigen manier doen.’ ‘Dan doe ik het liever zelf.’
Een onenigheid in wording.
‘Kun je me nu niet mijn eigen weg laten vinden? Als we elkaar nou eens met rust lieten,’ zegt Voskuil. Dat is kennelijk niet eenvoudig na al die jaren. Bijna elk voorstel om uit wandelen te gaan of een eind te fietsen verzandt in een dialoog die eindigt met: ‘En nu heb ik geen zin meer.’
Desalniettemin legden de Voskuiltjes heus wel eens ergens aan om iets te eten of te drinken? Dankzij de zeven dagboeken, en vooral dankzij de annotatie door Van Grafhorst, Van Heest en Lucassen, is vrij precies na te gaan waar zij dat zoal deden. Voskuil zelf noteerde wat er werd genuttigd, de bezorgers verschaffen adres en citeren soms zelfs een wervende zin zonder duidelijk te maken waar ze die vonden. Een zeer beknopt overzicht:
2 januari 1981 – Bodega De Posthoorn, Lange Voorhout 39a, Den Haag. Voskuil: ‘We drinken een borrel en nog een borrel en krijgen dan allebei van de ober een fles sekt toegeschoven. […] We drinken een glas bier, eten nog een portie bitterballen […].’
10 januari 1981 – Wiener Konditorei, Korte Poten 24, Den Haag. Espresso. Zegt de voetnoot: ‘levert uitsluitend kwaliteit Weens fijn gebak, intiem en gezellig, prettige service’. Onduidelijk is waar de bezorgers dit citaat hebben gevonden.
14 augustus 1981 – Dam Hotel, Keizersgracht 1, Edam. Twee koppen koffie.
12 maart 1983 – The Pancake Bakery, Prinsengracht 191, Amsterdam. Voetnoot: ‘Geld! besparen maar toch lekker uit eten!’
21 april 1983 – Aviorama, Schiphol. Kop koffie. Voetnoot: ‘eten met een wereldwijde blik’.
2 juni 1983 – Indisch restaurant Bamboe, Reinkenstraat 75, Den Haag.
1 juli 1983 (Voskuils 57ste verjaardag) – Hotel Die Port van Cleve, Dijk 74, Enkhuizen. Borrel.
Dat het altijd gezellig was tijdens de uitjes van Voskuil en zijn vrouw valt te betwijfelen. Niet alleen uit de ruim duizend bladzijden die Het zwijgen telt, het laatste deel van de dagboeken dat eindigt met aantekeningen van 4 oktober 2006, komt het echtpaar niet bepaald als eensgezind naar voren. Neem alleen de openingsscène van Het Bureau waarin zij zegt dat hij niet zo moet schreeuwen en hij antwoordt: ‘Ik schreeuw niet.’
Later nemen hun ruzies groteske vormen aan, maar zijn ze in wezen nog altijd even kinderachtig. De aanleiding kan verschillen, soms is het iets heel kleins waarover ze in onmin raken, ook zijn er duidelijker oorzaken. Zo zegt Voskuil in 1985 dat twee jongens die een buschauffeur met een mes bedreigden ‘wel Surinamers zullen zijn geweest’, waarop Lousje in grote woede ontsteekt. Terecht, lijkt me. Voskuil probeert nog uit te leggen waarom hij dat denkt, maar zelfs die uitleg – ‘Surinamers voelen zich gediscrimineerd, reageren emotioneel, staan meteen met een mes klaar’ – klinkt racistisch. Zij: ‘Schandelijk is het! Om zo in mijn huis te praten! In mijn huis!’
Antisemitisch is dan weer de uitspraak van Lousje over Hanny Michaelis, een vriendin van het echtpaar. Zij zou iets lelijks hebben gezegd over de bovenburen van de Voskuils, een homostel. Lousje: ‘Een afschuwelijk mens. En ze heeft nog een onbetrouwbaar gezicht ook.’ Later komt ze erop terug: ‘Zulke opmerkingen zijn de eerste stap op weg naar de gaskamers. Mensen als Hanny hebben de gaskamers gebouwd.’ In een voetnoot merken de bezorgers op dat de ouders van Hanny Michaelis op 26 maart 1943 in Sobibor werden vergast.
De ruzie zet door: ‘Ik verdraag niet dat iemand zich beter voelt. Ze is niet beter. Ze is de mindere van mensen als Evert en Paul! […] Iemand die nota bene zelf met een homo getrouwd geweest is.’ (Hanny Michaelis was van 1948 tot 1959 de echtgenote van Gerard Reve.)
Voskuil loopt woedend de deur uit, niet omdat zijn vrouw Hanny Michaelis verantwoordelijk houdt voor de gaskamers van de nazi’s, maar omdat ‘ik in mijn huis niet zo behandeld wil worden’. Het is 3 augustus 1987.
Het komt weer goed, want er volgen nog heel wat meer heftige confrontaties tussen Han en Loesje Voskuil. Ontluisterend is het allemaal wel. En veel, alles bij elkaar.
In 1985 noteerde Voskuil: ‘Dagboek schrijven is een ziekte.’ Dat hij zich daartegen niet heeft laten behandelen, vooruit. Maar waarom heeft hij nooit kunnen of willen ontsnappen aan dat vergiftigde huwelijk? Zou X. daar misschien ooit een boekje over open doen?
Frank van Dijl
J.J. Voskuil – Het zwijgen. Dagboeken 1987-2006. Van Oorschot, Amsterdam. 1160 blz. € 39,99.
Ook alle andere genoemde titels verschenen bij Van Oorschot.
