Recensie: Serhi Zjadan – Niemand zal ergens om vragen
Zonder een woord te zeggen
De verhalenbundel Niemand zal ergens om vragen van de Oekraïense schrijver Serhi Zjadan (1974) telt twaalf verhalen, die ik las om eens tot actie over te gaan. Eerlijk gezegd laat ik de oorlog in Oekraïne nogal links liggen en beperk ik me tot de hoofdlijnen. Als Oekraïne succes boekt lees ik gretig de krant, verder is de ellende niet te overzien en steek ik mijn kop in het zand. Ernstig, want het conflict gaat ons allemaal aan en de uitkomst is ongewis.
Niemand zal ergens om vragen gaat over alledaagse mensen ten tijde van oorlog. Niet dat ze vechten, want er klinkt geen enkel geweerschot in de reeks. De personages leven in hun huizen, parken en in zwartgeblakerde straten, met al hun conflicten en vriendschappen en proberen er iets van te maken. Sommigen keren terug in andere verhalen, als in een mozaïek. Links- en rechtsom treft de oorlog natuurlijk iedereen: oude van dagen, juristen, leraren of mensen die op verlof in hun lievelingskleren rondlopen, te weten een spijkerbroek, een T-shirt en sportschoenen.
Het verhaal ‘En de zon zal niet in staat zijn alles te verlichten’ gaat over een man en een vrouw van 25 jaar die elkaar nog kennen van de middelbare school. Hun conversatie is moeizaam, want wat willen ze van elkaar? Zij is de dochter van een impopulaire, mannenhatende lerares; hij is een soldaat wiens geheugen een zwart gat is, zodat hij zich weinig van school herinnert: ‘Weet je, het is alsof je vanuit het licht de nacht in stapt en geen hand voor ogen ziet. Begrijp je?’ Als ze hem bloemen geeft, neemt hij die toch maar niet aan. Het verhaal eindigt met een onverwachte zin: ‘Hij stopte de telefoon weg en bleef zitten wachten tot de verpleegster kwam om hem naar zijn kamer te rollen.’
Dergelijke ontregelende slotzinnen komen vaker voor. Andere voorbeeld: ‘Hij viel als eerste in slaap. Zij niet lang daarna. Zijn pillen had hij niet ingenomen. Zij de hare ook niet.’
Zo eindigt ‘Zij die je ’s nachts warm zal houden’. In dit verhaal proberen een man en een vrouw, allebei even weg van het front, seks te hebben in een kille hotelkamer. Het wil maar niet op gang komen, net zoals de wijn overbodig is en het telefoontje van het dochtertje van de vrouw het voornemen nog verder vertraagt. Wat ze wel zijn: moe, radeloos en onrustig. Ze praten wat en laten het erbij – fin.
Zjadan heeft weinig woorden nodig om complete levens te scheppen. Die levens gaan in en rond de stad Charkiv ook door, ondanks angst, frustraties en vermoeidheid. De oorlog is niet aanwezig, maar wel tastbaar en vreet zo aan iedereen. Roestige of met gras overwoekerde tramrails, een gesprekje op een kapotte voetbaltribune over Maradona, de seks die niet plaatsvindt: alles ademt een geleefd en gebroken leven en een onzekere toekomst.
Het verhaal ‘Dan zal de heer een vrouw roepen’ begint zo: ‘Bovendien was de lente vroeg dit jaar, warm ook. Alsof er niets aan de hand was.’ Zjadan is ook sterk in openingen. Een ik-figuur is aanwezig bij de kerkelijke begrafenis van een commandant. Het afscheid draait om Dina, de mooie en trotse vrouw van de officier, omringt door familie en vrienden. In een verre hoek van de kerk staat soldaat Anna, de minnares van de officier. De vrouwen lijken op elkaar, merkt de ik-figuur: ‘diezelfde starheid, rancune, vertwijfeling.’ Terwijl de voorganger preekt over genade, worden de vrouwen zich steeds meer bewust van elkaars positie en rol. Na afloop worden te telefoons gepakt en is Dina’s berichtenbox vol medeleven en steun. En dan weer zo’n slot: ‘Anna heeft één berichtje, van haar moeder: of ze kan helpen met het opwaarderen van haar beltegoed.’
Niemand zal ergens om vragen bevat louter prachtig geschreven (want prachtig vertaalde) verhalen. Zjadan, zelf aangesloten bij de Nationale Garde, maakt van de oorlog als het ware een personage. Een boosaardig en mysterieus personage, waar je niet mee spreekt, maar waar je je noodzakelijkerwijs toe moet verhouden. Nu kan ik eindigen met lofuitingen en die met argumenten onderbouwen, maar soms geldt het don’t tell-principe ook voor de bespreker. Het is daarom beter de kop het uit het zand te halen en een buiging te maken voor deze schrijver.
Jaap Krol
Serhi Zjadan – Niemand zal ergens om vragen. Uit het Oekraïens vertaald door Roman Nesterenco en Tobias Wals. Met een voorwoord van Michel Krielaars. De Geus, Amsterdam. 140 blz. € 19,99.
