Sportzomer: 10 Tom Wolfe, Norman Mailer en Gay Talese over Muhammad Ali
Meer dan een bokser
Muhammad Ali was meer dan een sporter, meer dan een dansende en dichtende bokser. Hij was een icoon. Bij geen atleet waren sport en politiek zo met elkaar verstrengeld. Hij was een spil in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging in de roerige jaren zestig van de vorige eeuw. Net als Martin Luther King en Malcolm X, die twee andere Afro-Amerikaanse boegbeelden, was hij uitgesproken, charismatisch en geëngageerd. Zijn grootste gevecht vond plaats buiten de ring, toen hij weigerde het leger in te gaan. Principes wogen zwaarder dan roem en bokstitels. Dus nam hij het eigenhandig op tegen de Amerikaanse overheid. Zijn titels werden hem ontnomen en Ali mocht niet meer boksen.
Hij had alles van een klassieke held die in z’n eentje vele obstakels moest overwinnen en vaak tegen de verwachtingen in als winnaar uit de strijd kwam. Oftewel: een geliefd personage voor boeken en artikelen. En dus schreven de Amerikaanse new journalists Tom Wolfe, Norman Mailer en Gay Talese allemaal over Ali.
Boksen en New Journalism zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Deze nieuwe vorm van journalistiek begon voor Tom Wolfe toen hij in 1962 in het Amerikaanse tijdschrift Esquire het verhaal ‘Joe Louis: the King as a Middle-Aged Man’ van Gay Talese las. In zijn uitgebreide inleiding van de baanbrekende anthologie The New Journalism (1973) schrijft Wolfe: ‘The piece didn’t open like an ordinary magazine article at all. It opened with the tone and mood of a short story, with a rather intimate scene; or intimate by the standards of magazine journalism in 1962’.
De nieuwe journalisten maakten gebruik van literaire middelen; hun artikelen werden scène-matig opgebouwd en verteld. Feitelijke verslaggeving maakte plaats voor het oproepen van sfeer door uitgebreide beschrijvingen en betekenisvolle details. Een ander belangrijk aspect, volgens Wolfe, waren dialogen: ‘dialogue tends to be naturally attractive, or involving, to the reader’. Zijn artikel ‘The Marvelous Mouth’ over Ali bestaat dan ook voornamelijk uit gesprekken met en uitingen van Ali.
Zo heette de bokser nog niet toen Wolfe hem anderhalve week van nabij volgde. Zijn naam was nog Cassius Clay toen het verhaal in oktober 1963 in Esquire werd gepubliceerd. Een paar maanden later, op 25 februari 1964, verraste Ali de bokswereld door Sonny Liston in Miami te verslaan. In datzelfde jaar verwierp hij zijn ‘slave name’ en nam hij officieel de naam Muhammad Ali aan.
In ‘The Marvelous Mouth’ heeft Ali net zijn spoken word album I am the Greatest opgenomen in de studio van Columbia Records. Met zijn gevolg is hij op weg naar het Metropole Café en daar wordt Ali constant aangesproken. Door zijn overdadige en hyperrealistische stijl hebben de journalistieke verhalen van Wolfe vaak een schertsende ondertoon. Ook Ali ontkomt niet aan die indirecte spot. Wolfe portretteert hem niet als een geweldige atleet: hij maakt van Ali een ouwehoer, een jukebox waar de gasten van het Metropole Café een muntje in kunnen gooien zodat hij begint met z’n rijmende borstklopperij (zijn bekendste rijmregels zou hij pas een jaar later voor zijn gevecht met Liston in 1964 formuleren: ‘Float like a butterfly sting like a bee – his hands can’t hit what his eyes can’t see.’).
Het geklets met de gasten van het Metropole Café verloopt gemoedelijk. Totdat een wit echtpaar van middelbare leeftijd op Ali afstapt. De vrouw vraagt of ze hem mag aanraken. ‘Naw,’ antwoordt hij.
After she left, though, he let her have it. It was the only time I ever heard him say anything contemptuously of anyone. “Can I touch you, can I touch you,” he said. He could mimic her white Southern accent in a fairly devasting way.
Later wordt hij benaderd door een wit jongetje. Of hij bang is voor Liston, vraagt het ventje. Natuurlijk niet! ‘That big ugly bear? If I was worried, I’d be out training and I’m out partying.’ Hoe ga je hem dan verslaan? vraagt de jongen. ‘I’ll beat that bear in eight rounds. I’m strong and I’m beautiful and I’ll beat that bear in eight rounds.’
Hij hield woord en versloeg Liston. Al deed hij het in zes rondes. Na dit gevecht bekeerde de kersverse wereldkampioen zich tot de Islam en veranderde zijn naam. Weinig witte journalisten noemden hem in die tijd bij zijn nieuwe naam. Zo ook bokser Ernie Terrell vlak voor hun gevecht in 1967. Ali won die wedstrijd en tergde Terrell in de ring door te roepen: ‘What’s my name?’
In datzelfde jaar weigerde Ali om het leger in te gaan en te vechten in Vietnam: ‘Man, I ain’t got no quarrel with them Viet Cong.’ Als straf mocht hij jarenlang niet boksen. In 1971 won hij zogenaamde ‘Het gevecht van de eeuw’ en versloeg Joe Frazier in New York. Drie later nam Ali het in toenmalige Zaïre op tegen George Foreman. Over deze ‘Rumble in the Jungle’ schreef Norman Mailer The Fight (1975).
II
Sinds zijn debuutroman The Naked and the Dead (1948) was Norman Mailer een prominent figuur in de Verenigde Staten. Winnaar van vele literaire prijzen, schrijver van verschillende bestsellers, legendarisch mislukt als politicus, figurant in een aflevering van Gilmore Girls en niet te vergeten: hij stak zijn vrouw Adele Morales in 1960 neer tijdens een feestje.
Ik ken weinig schrijvers die hun talent zo te grabbel hebben gegooid als Mailer. Als hij ervoor ging zitten en zich niet liet afleiden door geldzorgen of zijn domme denkbeelden, dan kon hij echt wel schrijven. Hij had een kamer voor zichzelf, maar maakte er te weinig gebruik van om met aandacht en toewijding zijn talent om te zetten in literatuur. Veel van zijn boeken worden ontsierd door hoogst twijfelachtige passages. In zijn non-fictie roman The Armies of the Night: History as a Novel, The Novel as History (1968), over de grootschalige protestmars in 1967 tegen de oorlog in Vietnam, schrijft Mailer: ‘He loved his daughters very much, he had had the best of love affairs with them, for the terminations of the marriages had been painful, and their love was therefore always touched with sorrow, but they were girls and he sometimes felt that because they loved him, he could not make a serious mistake with them.’ Liefdesaffaires – pardon? Ligt het aan mij, of rieken deze regels een beetje naar Trump? En het is een gevaarlijke gedachte als iemand denkt dat hij geen echte fouten kan maken.
Voor The Armies of the Night kreeg Mailer zowel de Pulitzer Prize als de National Book Award. Tot woede van Truman Capote, die na vijfenhalf jaar zwoegen en ploeteren niet werd gelauwerd voor zijn non-fictie roman In Cold Blood: ‘Ik doe iets wat echt vernieuwend is en wie pakt de prijzen? Norman Mailer, die tegen mij zei dat wat ik met In Cold Blood deed stompzinnig was, en die daarna gaat zitten om onverkort plagiaat te plegen […] Hij heeft alles wat ik heb gedaan overgenomen, al mijn zware werk en experimentele technieken, en ze zich toegeëigend.’
Ik begrijp de woede van Capote wel. Afgelopen herfst herlas ik zijn meesterwerk en dat consciëntieus gecomponeerde kunstwerk is echt zoveel beter en indrukwekkender dan het saaie geratel van Mailer. In Cold Blood mag dan niet in de prijzen zijn gevallen, het doorstaat de tand des tijds met verve: het boek wordt nog altijd veel gelezen en terecht bejubeld, terwijl ik in mijn literatuurminnende omgeving niemand ken die Mailer leest. Laat staan bewondert.
Mailer schreef zijn boek in de derde persoon: ‘Yes, Mailer had an egotism of curious disproportions.’ The Armies of the Night gaat dan ook meer over de schrijver dan over de demonstratie tegen de Vietnamoorlog. (In een recensie bestempelde David Foster Wallace Norman Mailer, Philip Roth en John Updike als ‘the Great Male Narcissists’ – dit bleek helaas een gevalletje van wat-je-zegt-ben-je-zelf, want na zijn dood in 2008 werd DFW zelf ontmakserd als een ‘GMN’).
Ook The Fight is geschreven in de derde persoon, al gebruikt de schrijver hier zijn voornaam. Aan het begin van het derde hoofdstuk adresseert Norman zijn zelfingenomenheid:
Now our man of wisdom had a vice. He wrote about himself. Not only would he describe the events he saw, but his own small effect on events. This irritated critics. They spoke of ego trips and the unattractive dimensions of his narcissism. Such criticism did not hurt too much. He had already had a love affair with himself, and it used up a good deal of love.
Wéér een liefdesaffaire! Met zichzelf dit keer. Mailer is hier ironisch, hij neemt zichzelf op hak. Althans, dat is wat hij zijn lezers wil wijsmaken, dat hij geen humorloze narcist is, maar heus wel zelfspot heeft. En toch zijn zowel The Armies of the Night als The Fight daadwerkelijk uitingen van z’n liefdesaffaires met zichzelf. Dus zakt Mailer hier, in de woorden van Harry Mulisch, door ‘de dubbele bodem van de ironie’. Wat Mulisch over Reve zegt in zijn essay ‘Het ironische van de ironie’, geldt volgens mij ook voor Mailer: ‘Wie ironisch spreekt, zegt het tegendeel van wat hij meent, maar zodanig, dat een ander dat doorziet. Van het Reve zegt wat hij meent, maar zodanig dat de ander dat niet doorziet en denkt nog steeds met ironie te doen te hebben.’
Zo laat Mailer niet onvermeld dat Ali hem eens had geïntroduceerd als ‘a man of wisdom’, of dat Foreman zei: ‘Yeah, I’ve heard of you. You’re the champ among writers’. Als kers op zijn ego karakteriseert Don King, de bokspromotor en organisator van het gevecht, hem als ‘a great mind among us, a genius’. Toe maar.
The Fight is een ontmoeting van twee grote ego’s. Ali kon er immers ook wat van. Mailer schrijft dat een bokser niet kan toegeven aan de angst. Daarom verdringt Ali zijn angst met opschepperij: ‘Somehow, buried anxiety was transmuted to ego’. En hij sluit zijn alinea met af: ‘What a wall of ego Ali’s will had erected over the years.’
Mailer is niet bang om Ali aan te pakken. Als de bokser weer eens een gedicht reciteert, vraagt de schrijver zich af ‘how much of the language is his own’. Hoe dan ook, echt onder de indruk is Mailer niet: ‘He declaims it like a sermon, sounding indeed like a bright thirteen-year-old admired for the ability to stand at the altar and speak as loud as a grown-up.’
Typerend voor The Fight is dat de scherpe, goed geschreven passages worden verminkt door onzin. De gedachten die Mailer neerpent nadat hij het boek Bantu Philosophy heeft gelezen krijgen zelfs een racistische toon. Over zijn Afro-Amerikaanse landgenoten schrijft hij: ‘They had the good fortune to be born Black.’ Godzijdank is het niks geworden met zijn politieke carrière.
Een paar avonden voor het gevecht gaat Mailer in het holst van de nacht joggen met Ali. Het is knap hoe Mailer deze bijzondere gebeurtenis om zeep weet te helpen. Hij bekent joggen te haten, heeft moeite Ali te volgen, maar laat zich toch complimenteren door de bokser: ‘You’re in pretty good shape, Norm.’
De schrijver kan Ali niet volgen en later meet hij met zijn gekrenkte ego het hardlooprondje van de bokser op met de auto: het was tweeënhalve mijl, geen drie! Met een beetje trainen had hij de legende wel kunnen volgen, want dit was geen indrukwekkende afstand en hij concludeert: ‘Norman did not see how Ali could win.’
Eindelijk, na zo’n dikke 170 pagina’s, begint het gevecht en tonen zowel Mailer als Ali hun talent. Neem de passage van Ali die in ring wacht terwijl Foreman nog in de kleedkamer is:
He looked unafraid and almost on the edge of happiness, as if the discipline of having carried himself through the two thousand nights of sleeping without his title after it had been taken from him ever losing a contest – a frustration for a fighter doubtless equal in impact to writing A Farewell to Arms and then not being able to publish it – must have been a biblical seven years of trial through which he had come with the crucial part of his honor, his talent, and his desire for greatness still intact, and light came off him at this instant.
Boksen is niet een sport waar ik graag naar kijk, maar de meeslepende pagina’s waarin Mailer verslag doet van de wedstrijd tussen Ali en Foreman heb ik met veel plezier gelezen. En ook wel met bewondering. Wederom sloeg mijn bewondering weer rap om in irritatie, omdat Mailer te lang doorgaat. Hoofdstuk 16 ‘The Rains Came’ zou een mooi slotstuk zijn, maar Mailer zwets door en voegt er nog drie hoofdstukken aan toe. Alsof hij per woord werd betaald en zoveel mogelijk wilde verdienen aan dit verhaal (hij geeft in The Fight overigens toe dat hij veel geld nodig heeft om al zijn ex-vrouwen en kinderen te onderhouden).
Ondanks Mailers geraaskal is The Fight nog steeds een populair sportboek en prijkt het op veel lijstjes van beste literaire sportboeken. Misschien ligt dat vooral aan het iconische hoofdpersonage en het historische gevecht.
III
De literatuur is geen wedstrijd. Al dachten Mailer en zijn held Hemingway daar anders over. Was het wel een wedstrijd, dan won Gay Talese glansrijk: hij schreef verreweg het beste verhaal over Muhammad Ali. Niemand schreef zo goed over sport als Talese. Talese heeft dezelfde nauwkeurige, onopgesmukte stijl als Joan Didion (die andere bekende new journalist). Bij elke zin denk je: ja, zo is het, dit had niet anders gezegd kunnen worden. In 1937 schreef Paul Valéry in zijn beroemde cahiers: ‘Het Allermoeilijkste in de Kunst is de indruk van willekeur te vermijden, de indruk dat er net zo goed iets anders had kunnen staan.’ Net als Didion is Talese een kunstenaar; hij produceert geen journalistiek, hij schept literatuur.
Naast het titelverhaal over Joe DiMaggio en het door Wolfe geroemde artikel over Joe Luis, is ‘Ali in Havana’ uit 1996 een hoogtepunt uit de bundel The Silent Season of a Hero. The Sports Writing of Gay Talese. Waar Wolfe schreef over de bokser toen hij nog Cassius Clay heette en Mailer verslag deed van het roerige tweede deel van zijn carrière na zijn uitsluiting, schrijft Talese over het icoon in verval. De ‘marvelous mouth’ is door de parkinson nu een zwijger. De druktemakerij van zijn hoogtijdagen is verdwenen: ‘There is a slight twinkle in his eyes, not much expression on his face, and no words forthcoming from this once most talkative of champions.’
Het is een verhaal over Ali, zonder dat de voormalige bokskampioen veel spreekt. Dat doen de anderen: zijn vrouw, de Cubaanse bokser Teófilo Stevenson, Ali’s goede vriend en fotograaf Howard Bingham en Fidel Castro. De sfeer die Talese oproept is bovenal: ongemak. De grote kampioen zwijgt, Stevenson komt een beetje onnozel over en de Cubaanse president kan heel goed urenlang speechen, maar is vreselijk slecht in koetjes-en-kalfjes-praat.
Talese schetst een portret van Ali als een serene, bijna timide, man. Dat is hij natuurlijk niet uit vrije wil en dat maakt dit verhaal zo schrijnend. Niet in de laatste plaats omdat Talese Ali’s bezoek aan Havana met veel gevoel optekent. Daardoor is het een intiem verhaal en het tegendeel van Mailers gespierde taal. Talese dringt zichzelf niet op de voorgrond. Het gaat niet om hem, alle aandacht gaat naar de mensen in zijn verhaal.
Overigens beschouwde Talese zichzelf niet als iemand die vernieuwend was: ‘I have always thought of myself as rather traditional in my approach and not so ‘new’. I never wanted to do something new. I wanted to do something that would hold up over time, something that could get old and still have the same resonance.’ Het is hem gelukt.
Koen Schouwenburg
Tom Wolfe. The Kandy-Kolored Tangerine-Flake Streamline Baby. Jonathan Cape, 1966. 339 blz.
Norman Mailer. The Fight. Random House, 2013. 234 blz.
The Silent Season of a Hero. The Sports Writing of Gay Talese. Edited by Michael Rosenwald. Walker & Company, 2010, 308 blz.
De literaire sportzomer
Het WK voetbal, de Tour de France, Wimbledon, EK atletiek, WK roeien: deze zomer hoeft de sportkijker zich geen seconde te vervelen. Om helemaal in de stemming te komen en ons niet alleen blind te staren op wat er gaande is op het scherm en in de media, duikt Tzum als vanouds de boeken in. Onze schrijvers lezen de beste biografieën van sporters, vergeten geschiedenissen, jubelverhalen en zwarte bladzijden over de grootste en kleine sporten. Niet voor niets bestaat sport in ons collectieve geheugen vooral bij de gratie van de verhalen die verteld worden, lang nadat het stof is neergedaald. Je vindt alle afleveringen hier.
(foto Muhammad Ali and Ken Norton fight in Inglewood, 1973: Art Rogers, University of California, Los Angeles. Library. Department of Special Collections CC BY 4.0)
