Zo ingewikkeld als spionage

Als je zoals ik van fietsen houdt, met, moet gezegd, wel een steeds beperktere actieradius, van ad fundum wielrennen kijken op tv én van literatuur, dan is De Renner van Tim Krabbé een onontkoombaar boek. En eigenlijk ook om alle kenbare redenen. In De Renner staat de Ronde van de Mont Aigoual centraal, een eendaagse klimkoers voor amateurs, maar dan niet als wedstrijdverslag, geen journalistieke strapatsen, maar beschreven van binnenuit. Op 26 juni 1977 reed Tim Krabbé deze zware bergrit namelijk zelf.

Vanuit dat gegeven is De renner geen roman, een product van louter verbeelding, maar op zijn minst autofictie. En waar autofictie de eigen ervaringen van de schrijver als uitgangspunt neemt, is er in De Renner een nog nauwer verband: het ik-personage ís Tim Krabbé, met ten bewijze talloze autobiografische details en anekdotes doorheen het boek geregen. De Renner is een autobiografische roman – en een superspannende bovendien. Zo opent De Renner dodelijk:

Warm bewolkt weer. Ik pak mijn spullen uit de auto en zet mijn fiets in elkaar. Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.

En dan moet de koers nog beginnen, 137 kilometer, viereneenhalf uur. Na de start introduceert Krabbé zijn concurrenten, steevast dezelfde coureurs, hij kent ze door en door, hun kwaliteiten, hun bonkige uiterlijkheden. Maar hoe doet hij het zelf, zichzelf beschouwend als een aardige amateur, maar niet per se als een winnaar? Aldus nodigt de schrijver Krabbé de lezer uit mee te kijken in het hoofd van de renner Krabbé.

Details over de gaten die opgevuld moet worden, de gekte van de demarrage en het te zwaar gestoken verzet. Niets is er leuk aan zelf een wielerwedstrijd rijden, of zoals Krabbé het uitdrukt: ‘Geen slechtere manier om een wielerkoers te volgen dan er aan mee te doen.’ Cynisme verpakt als ironie. Krabbé strooit achteloos met aforismen, om de paar pagina’s is er wel een te ontdekken, zoals bijvoorbeeld deze: ‘Het peloton is een gevangenis’. Of deze als hij zwoegend inloopt op de kopgroep: ‘Ik heb ze. Een geheimzinnig beest met vijf ruggen waarvan ik wist dat het moest bestaan.’ De schrijver wisselt ze af met autobiografische details over de renner, een laatbloeier, en talloze geestige anekdotes over en uitspraken van wielerhelden als Gerrie Knetemann, Hennie Kuiper, Harm Ottenbros, Koblet, Altig, Anquetil, Bahamontes, Poulidor. Er is ook nog een klein wieleralfabet. En de renner ondertussen maar zwoegen. ‘Kilometer 68. Daar gaan we weer’. Kilometer 91. Nog dertien kilometer klimmen’. ‘Kilometer 136. De laatste kilometer’.

Wat ook met zijn 130 pagina’s bijzonder is aan De Renner, is dat de vertelde tijd (ik ben een langzame lezer) zo ongeveer gelijk is aan verteltijd. Het bevordert de identificatie met het hoofdpersonage; je bent er als het ware zelf bij. Je houdt je adem in als Krabbé eerst opmerkt dat sprint zo ingewikkeld is als spionage en dan schrijft: ‘Ik haal adem en sprint.’

Een thriller, een verslag van een wielerwedstrijd, een autobiografie, De Renner is dat alles. Een knappe roman van de polymath (bij gebrek aan een betere omschrijving in het Nederlands, of het zou homo universalis zijn, wat dan weer Latijn is), die Tim Krabbé is: journalist, schaakgrootmeester, niet onverdienstelijk wieleramateur en zeer verdienstelijk schrijver. Mijn leraar Nederlands peperde mij dat in het jaar van verschijnen van De Renner  – 1978 – al in.

Wiebren Rijkeboer

Tim Krabbé – De Renner. Erven Thomas Rap, Amsterdam, 1978. 130 blz. Antiquarisch. / Prometheus, Amsterdam. 160 blz. € 12,50.

De literaire sportzomer
Het WK voetbal, de Tour de France, Wimbledon, EK atletiek, WK roeien: deze zomer hoeft de sportkijker zich geen seconde te vervelen. Om helemaal in de stemming te komen en ons niet alleen blind te staren op wat er gaande is op het scherm en in de media, duikt Tzum als vanouds de boeken in. Onze schrijvers lezen de beste biografieën van sporters, vergeten geschiedenissen, jubelverhalen en zwarte bladzijden over de grootste en kleine sporten. Niet voor niets bestaat sport in ons collectieve geheugen vooral bij de gratie van de verhalen die verteld worden, lang nadat het stof is neergedaald. Je vindt alle afleveringen hier.

(Fotograaf Onbekend / Anefo, Nationaal Archief, CC0)