Overschrijven

Schipper mag ik overvaren, de nieuwe bundel van Eva Gerlach, gaat over een moeilijke moeder-dochterrelatie, de werking van de tijd en de rol van poëzie erin – thema’s die haar lezers bekend zijn, maar die nooit meer van hetzelfde opleveren.

Het eerste gedicht zet de toon. Het staat als enige in de afdeling ‘Baar’. Gaat het om een onderstel waarop een doodskist wordt geplaatst? Of is het de gebiedende wijs van het werkwoord ‘baren’? Als je de bundel in zijn geheel hebt gelezen en aan de tweede keer begint (‘Einmal ist keinmal’, zeker bij Gerlach), zie je in dat het allebei kan. De moeder van de dichter is dood (zoals bijvoorbeeld blijkt uit de ‘spatten licht’, die in dit verband nog eens voorkomen) en zij probeert haar tot leven te wekken met poëzie.

je zette haar rechtop ze wist van niks
vroeg of ze wakker was je moest haar zogen
ze deelde zich in spatten licht je zocht
door alle dekens maar ze was gevlogen
kronkelde buiten schot sloeg neer als hagel
je bril aan poeier ze giechelde zich
zacht smolt je ogen in je mocht
haar baren

Waarom wil de dichter haar moeder oproepen? Het ligt meer voor de hand dat zij haar zou willen vergeten. De jeugd van de dichter is onveilig en eenzaam geweest: moeder liet haar dochter altijd voelen dat zij haar mindere was, in het gedicht ‘Eeuwig’ zelfs tot na haar dood. Moeder ligt in haar kist en zegt:

Er zit een enorme vaart in deze regels. Het lijkt of moeder niet is in te halen en de witregels tussen ‘sneller!’ en ‘dan jij’ versterkt dat nog eens.

Het gaat nog veel verder. Moeder negeert haar dochter als zij bij haar eerste ongesteldheid doodsbang is, omdat zij niet begrijpt wat haar overkomt; als zij als kind hard is gevallen, reageert moeder ronduit onverschillig. Bovendien hebben haar ouders een slecht huwelijk: moeder heeft een ‘slijptong’ en vader mishandelt haar. En daarbij komt nog eens dat het verleden nooit is voltooid. Over vader zegt de dichter bijvoorbeeld: ‘hij jaagt je in een schietstoel door de tijd’. Ook in haar dromen komt moeder terug: als angstwekkende toverkol en een zware last die verzorgd moet worden, want de dichter is en blijft haar kind. Misschien brengt zij moeder tot leven om haar herinneringen om te vormen, waardoor moeder verandert in een liefdevolle vrouw: ‘Ik schrijf je over. Stil. Kom maar weer binnen.’

De dichter heeft moeder nooit leren kennen, zij verborg zich. Ze is niemand. Is het kind dat dan ook? Als moeder dement wordt, lijkt zij een enkele keer zichtbaar te worden. ‘Zo in het licht gepast ben je / dat houten beeld met gevouwen / handen over je schoot Zo ingelegd in // dood als je nu zit nu pas kan ik je zien’, zegt haar dochter als moeder bij het raam zit ‘in [haar] / stoel van altijd nu elk uur een etmaal’.

Met de regel ‘Wie ben ik als jij Niemand bent’ uit een voorgaand gedicht in je achterhoofd is het volgende nog aangrijpender dan het op zichzelf al is:

Boedel

Je stem van ver: ‘Kind hoe heet ik ook weer?’
Ik zeg je voor. Nog eens. ‘Is dit verkeerd?’
Letter voor letter. ‘Zo dan?’ ‘Nog een keer?’

Doodlopend spoor. ’s Nachts laten ze je gaan.
Ik ruim op zie een kladblok lang je naam
regel na regel in verdwaalschrift staan

Navelstreng uit mijn lijf vandaan klop door

Het lijkt erop dat een intergenerationele levenscyclus verlossing brengt: ‘Het wijde land waarin ik met je loop / zoals mijn kind met haar kind binnenin / dat zwelt en zwelt zoals jij krimpt en en’, lezen we in de eerste strofe van het laatste gedicht, ‘Ferwert’. Maar is dat echt zo? ‘Er is een einde aan zoals’ luidt de eerste zin van de tweede strofe. (Het vervolg van het gedicht laat ik onbesproken; het zou zonde zijn dat prijs te geven).

De titel van de bundel, de eerste regel van het bekende kinderlied, is opvallend. Hij komt terug in het motto, samen met de tweede regel: ‘moet ik dan ook tol betalen, ja of nee?’ Die schipper associeer je in de context van de bundel onvermijdelijk met Charon, die dode zielen tegen betaling naar het dodenrijk overzet. Moeder wilde wel: ‘Laat. Me.’ zegt zij als het heel slecht gaat. Het bootje is gevaarlijk wrak – zie de foto op het voorplat. Maar als moeder de overkant haalt, vindt zij daar hopelijk rust, en, ten gevolge daarvan, haar dochter ook. Is de bundel de tol die zij betaalt? Charon zou er blij mee zijn.

Hans Puper

Eva Gerlach – Schipper mag ik overvaren. Gedichten. De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen. 75 blz. € 19,99.