De volgende recensie van Stormsonate komt uit 2006.

Geen greep

In de verhalenbundel Stormsonate probeert Kees Verheul, net als in Villa Bermond (1992), het leven van de negentiende-eeuwse Russische dichter Tutcheff te verbinden met zijn eigen leven. In de inleiding beschrijft hij hoe hij op een avond tevergeefs geprobeerd had een gedicht van Tjoetsjev (moderne spelling) te vertalen en ‘met het gevoel van een vacuüm’ naar bed is gegaan.

En dan staat er, niet erg gelukkig geformuleerd:

Mijn laatste gedachte was een probleem. Bestond er een natuurlijke, niet geforceerde samenhang tussen Tjoetsjevs vers en mijn jeugd?

Mijn oog bleef lang aan deze zinnen haken. Kan een gedachte een probleem zijn? Ze kan een probleem formuleren, of omvatten, maar zelfs dan is het raar, ze kan er in ieder geval niet eentje zíjn. En een eventuele ‘natuurlijke samenhang’ tussen een gedicht en een eigen jeugd moet je niet een probleem noemen denk ik, maar een idee, een concept dat goed in een boek kan worden uitgewerkt.

In het eerste en verreweg langste verhaal, titel ‘Onweer in de Alpen’, maken Theodor en Leonore Tutschew (oude spelling) in 1828 een tochtje door de bossen van het Beiers-Oostenrijkse grensgebied. Theodor werkt op de Russische ambassade. Tijdens dit ritje duiken allerlei herinneringen uit het verleden op rondom deze twee figuren, de vergeefse liefde van Theo voor ene Amalia, het werk op de ambassade en bezoeken aan allerlei Russische families.

Alles geheel in stijl van de klassieke Russische roman, met scènes als:

Sinds oktober had Theo de gewoonte om na het middageten, op de tijd dat-ie vroeger z’n slaapje dee, een uur lang te dromen aan zijn venster.

Of, wanneer ze met het koetsje terug naar huis rijden:

Tutschew miste het harmonieuze ik-het-en-alles-bijeen van haar. Ook hij was in harmonie maar kantiger, vanuit een verdeeldheid die bleef. Onderscheid tussen zichzelf en Leonore voelde hij niet meer tijdens het dalen.

Eigenaardige zinnen, dacht ik en hoe verder ik kwam hoe meer me het gevoel bekroop dat ik maar geen greep op dit verhaal kreeg. Aardige scènes bij mensen thuis of onderweg, dat wel, maar wat was toch de dwingende noodzaak om ze te beschrijven? Welk idee ligt ten grondslag aan deze gebeurtenissen, welke obsessie? Wat wil Verheul precies aan ons duidelijk maken? Dat een ongelukkige liefde lang nawerkt? Dat Theo en Leonore toch dichter bij elkaar komen? En wat dan nog? En wat heeft die koetsier er mee te maken die denkt dat hij Beethoven is?

De overige, veel kortere verhalen spelen zich af rondom Verheuls vroege jeugd in Hengelo. Uitvoerige en zeker ook gevoelige beschrijvingen van zijn ouders en zijn broer. Belevenissen rondom het bombardement van Hengelo vlak voor de bevrijding, kleine oorlogsherinneringen en kleine trauma’s van een jongen die het allemaal niet goed meer weet maar waarbij af en toe ineens scherpe beelden doorbreken. Hoe zijn vader tewerk werd gesteld in Duitsland. De tochten van zijn moeder om aan eten te komen. Uitvoerige beschrijvingen van de plaats waar hij woonde en die nu niet meer bestaat. Mooie rijmpjes uit die tijd: ‘Weinig vet,/ vroeg naar bed./ Gat net warm-/luchtalarm!’

Maar ook bij deze korte verhalen bleef er bij mij iets wringen. Het zijn van die pointeloze verhalen en beschrijvingen, zonder bijvoorbeeld een dwingende woede die ze met elkaar verbindt, of een verwilderde visie die ze ineens boven andere verhalen over die tijd uit tilt. Wat wilde de schrijver precies? Lang heb ik nog zitten peinzen over ‘een natuurlijke en niet geforceerde samenhang’ tussen Tjoetsjevs leven en de jeugd van de schrijver. Ik zag hem niet.

Kees ’t Hart

Kees Verheul – Stormsonate. Van Oorschot, Amsterdam. 264 blz.

Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 23 juni 2006.