De onderstaande bespreking van De held Jacob Mulle komt uit 2006.

Verliefde leraar

‘Wie lelijk is kan altijd nog een held worden.’ Fraaie en geestige eerste zin van De held Jacob Mulle, de tweede roman van Stijn van der Loo. En hij zet ook werkelijk de toon van deze vaak groteske, soms verstilde maar altijd pakkende roman waarin we verplaatst worden naar de wereld van het voortgezet onderwijs. De wereld van de grote scholengemeenschappen met drommen leerlingen die verdwaasd door gangen dwalen, met leraren, lerarenkamers, docentenvergaderingen en wat je verder zoal kunt verwachten.

Van der Loo valt gelukkig niet in de valkuilen waar schrijvers over scholen en onderwijs maar al te vaak in vallen. Wat is het niet gemakkelijk om maar weer eens alle clichés op dit gebied van stal te halen en alle leraren af te schilderen als een stel gefrustreerde gekken, leraressen als frigide ongetrouwde juffrouwen en het hele onderwijs als iets van en voor gekken. Ik ben wel wat gevoelig voor boeken over leraren, dat geef ik toe, natuurlijk omdat ik zelf een tijdje leraar Nederlands op zo’n school was en daar een prachtige tijd had en dus geen zin heb in boeken waarin alleen maar frustraties over dit mooie beroep doorklinken.

Van der Loo zoekt het overigens niet in een erg realistische weergave van het schoolbestaan. Hij maakt er een mooie, vaak satirische warboel van, schrikt niet terug voor lekker ongenuanceerde beschrijvingen van het wel en wee op zo’n school, maar zijn grondtoon is niet die van een gefrustreerde ex-leerling of leraar die het nu wel even gezegd wil hebben. Er gaat iets fundamenteels vrolijks van zijn boek uit, ook al zitten er zeker ook dramatische kanten aan.

Hij schrijft ijzersterk en weet zijn, vast en zeker aan de praktijk ontleende, waarnemingen vaak mooi laconiek onder woorden te brengen.

Naast V4A had ik nog wat klassen, merendeels brugklassen. Daar hadden ze er ongelofelijk veel van, zeg, en ze zaten barstensvol kinderen van Noord-Afrikaanse afkomst. Het grappige was dat je ze in de bovenbouw niet meer tegenkwam.

Deze schrijver probeert een zo direct mogelijke spreekstijl van de grond te krijgen, ook al in zijn originele eerste boek De Galvano (2004). Dat geeft aan zijn werk grote vaart, de gebeurtenissen spatten van het papier en je hebt steeds het gevoel dat je overal bovenop zit. Bovendien geeft het hem de kans net te doen alsof er onder dit vrolijke, directe vertellende schrijven geen diepere lagen zitten. Alsof het hem alleen gaat om een razendsnel vertelde geschiedenis over een biologieleraar die zich op een school staande moet zien te houden en verschrikkelijk verliefd wordt op een ongelukkige leerlinge. Die tot zijn eigen verbazing bij de leerlingen nog populair is ook en daar geen weg mee weet.

De uitleg van dit alles geeft Van der Loo er gelukkig zelf niet bij, dat is niet zijn manier van schrijven, je moet die er langzamerhand bij verzinnen en dan ontstaat een fraai en genuanceerd beeld van een jonge man die zijn gevoeligheden probeert te verbergen achter een hoop bravoure. Het mooie van dit boek zit overigens niet in het verhaal, denk ik, maar vooral in de vele geestige, rake en veelzeggende zinnen waaruit het bestaat. Zie maar eens hoe de held ergens in november zijn opkomende verliefdheid onder woorden probeert te brengen:

‘Ik houd van de herfst,’ zei ik. ‘Herfst is mijn lente geworden.’

Kees ’t Hart

Stijn van der Loo – De held Jacob Mulle. Querido, Amsterdam. 198 blz. € 15,95.

Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 7 juli 2006.