De meeste critici bijten niet

Recenseren is je op glad ijs begeven, dat weet iedereen. Iedereen waarschuwt je er ook voor. Zou je daar nu wel aan beginnen? Zeker dat je dat wel zou doen? Waar is dat in godsnaam goed voor? Toch stap ik telkens de ijsbaan maar weer op. Misschien ergens voor de kik. Sowieso voor de kunst, omdat die altijd beter verdient. Maar soms ga je ook gewoon op je bek en vind je jezelf ineens terug in een komische video van schrijver Valentijn de Heer.

Even terugspoelen. Zes maanden geleden begon ik aan een nieuwe reeks recensies. Tot dan toe had ik eigenlijk enkel met non-fictie en vertaalde literatuur beziggehouden, maar ik had het gevoel dat ik daardoor te ver van mijn directe collega’s af was komen te staan, de hedendaagse Nederlandstalige fictieschrijvers. Omdat ik ook nog weleens een boek zou willen publiceren en het me dan leuk zou lijken om die collega’s op feesten en partijen ook nog een beetje in de ogen aan te kunnen kijken, zocht ik naar een vorm die voor mij goed voelde. Ik besloot brieven te schrijven. Binnen die brieven zou ik dan zo streng of zo lief kunnen zijn als ik maar wilde, maar in ieder geval zou het duidelijk zijn dat ik niet een soort god was die vanop een hoge onbereikbare wolk je boekje wel even zou komen afkraken. Het zou duidelijk zijn dat mijn besprekingen altijd hyperpersoonlijke en tijdsgebonden interpretaties zijn van hoe ik tegen een specifiek boek aan kijk. Het zou duidelijk zijn dat ik aanspreekbaar ben.

Het duurde dan ook niet lang voor de eerste reacties binnenkwamen. Met Rosa Willemijn Vlogman verliep de discussie nog relatief gemoedelijk, maar toen ik afgelopen dinsdag mijn bespreking van Aardige vrouwen van Megan van Kessel online zwierde, was het een ander paar mouwen. Hoewel ik het gevoel had dat ik een behoorlijk positieve recensie had geschreven, zag ik toch plots een licht uit context gerukte quote uit mijn stuk op Megan haar Instagram verhaal verschijnen. We wisselden een paar berichten uit, maar dat gesprek werd al vrij snel ijzig en koud. Ze vroeg me direct op de man af of ik het stuk ook zo geschreven zou hebben als het over een mannelijk auteur ging. Ik prevelde wat verdedigingen, maar omdat ik in mijn gat gebeten was en niet precies begreep wat me nu eigenlijk verweten werd, durfte ik niet door te vragen en liet het gesprek doodbloeden.

Gelukkig was daar haar schrijversvriend Valentijn de Heer om met humor de stilte te doorbreken. Met een vette knipoog verweet hij me vooral dat ik het boek te weinig op zichzelf zou hebben besproken en dat ik dat bij een mannelijke auteur, zoals Megan ook aanhaalde, waarschijnlijk wel zou hebben gedaan. Dat durf ik trouwens te betwijfelen. Ook ik heb Radeloze helden van Maaike Meijer gelezen en hoewel ik ook op dat boek nog wel wat aan te merken had, heeft het idee dat elk boek van een man ergens ook een boek over mannelijkheid is me niet meer losgelaten.

En ja, het boek op zichzelf bespreken. Mooi is dat altijd. Zo’n beetje de goudstandaard van de literatuurkritiek, lijkt mij. Vraag is alleen: wat is een boek precies en waar houdt het precies op? Ok, een boek is letters op papier of in het slechtste geval een ereader. Een boek is stijl, plot, personages, thema’s en motieven, al die zaken die we netjes in de literatuurles en de schrijversvakschool hebben geleerd. Maar een boek heeft ook een cover, een flaptekst, blurbs en het colofon. Een boek heeft een uitgever met een bepaald imago, een marketingafdeling die het aan wil prijzen, eventueel een subsidieverstrekker die dit alles gesponsord heeft. Een boek heeft een auteur met, idealiter, een bepaalde visie op literatuur en wereld om zich heen. Een boek ligt dus in de wereld en de cover is haar huid, om de Vlaamse dramaturge Marianne van Kerkhoven nog maar eens te parafraseren. Dit mag je uiteraard een te brede definitie vinden, maar als lezer gaat mijn interesse in ieder geval altijd uit naar hoe een boek zich tot de wereld verhoudt, en dat is dan ook waar ik mijn recensies – binnen het maximaal aantal woorden dat me daarvoor ter beschikking staat – naar toe probeer te schrijven.

Wat niet betekent dat je daar niet te ver in door kan schieten. Soms lig je door je recensie-exemplaar – overigens de enige vergoeding die ik tot nog toe voor mijn stukken gekregen heb (alles voor de kunst, altijd alles voor de kunst) – te bladeren en dan valt je ineens een mooi idee binnen. In Megan haar geval ging dat inderdaad over gender. Dat ik het gevoel had haar roman wel erg als boek voor vrouwen in de markt werd gezet, maar dat ze met haar verhaal juist iets van de mannelijkheid in de vrouw probeert te tonen. Dat haar personages telkens weer bij elkaar moeten afstemmen ‘wie er nu eigenlijk de grootste ballen heeft en boven op de apenrots mag plaatsnemen’. Slim gevonden, vond ik dat. Intrigerend. Even opschrijven, nalezen en opsturen.

Alleen was ik in de haast – ook iets wat je als recensent altijd hebt – daarbij even vergeten dat dit natuurlijk mijn ideeën over het boek waren en niet per se die van Megan. Bovendien had ik mijn mooie bedoelingen te weinig gestut met voorbeelden en citaten, waardoor ik alsnog als een soort god boven de tekst leek te hangen. Als een man die die arme Megan wel even zou leren wat dat schrijven is. Zozeer zelfs dat mijn eigen vriendin mij niet eens meer in de tekst herkende en me geschrokken een bericht stuurde dat dit echt niet door de beugel kon.

Glad ijs dus. Even te snel bewogen en je vraagt je af hoe je nou weer in deze positie bent beland. Ook dat zal wel weer een mannelijk trekje van mij zijn. Grote stappen, snel thuis. Niets anders aan te doen dan opkrabbelen en weer doorgaan. Maar misschien wel met de hoop dat door mijn slippertjes openlijk toe te geven, de recensent ook weer een wat menselijker gezicht heeft gekregen. Ik ben mij ervan bewust dat (wederom vooral mannelijke) critici uit het verleden echt niet altijd zo gewillig door de knieën zijn gegaan, zeker niet tegenover een vrouwelijke auteur, maar dat is nu net de angstcultuur waar we vanaf moeten. De meeste critici zijn gewoon aanspreekbaar. Voor zover ik weet, bijten ze niet.

Jonathan van der Horst