In extase bij de trap van Reve

Op donderdag reed ik met Doeke Sijens naar Friesland. Greonterp om precies te zijn, waar het voormalige huis van Gerard Reve te koop staat. Ik werd als ‘skriuwer en Reve-kenner’ geïnterviewd voor Omrop Fryslân. Geke Leenstra vroeg of ik een echte Reviaan ben. Ik heb, denk ik, wel het hele oeuvre van Reve gelezen, maar ik ben niet iemand die een teennagel van de grote schrijver op een veiling koopt.

Je rijdt helemaal van Groningen naar Greonterp (zo’n 90 kilometer zeg ik voor de mensen in de Randstad die veelal denken dat alles hier dicht bij elkaar ligt) omdat je daarna in het huis mocht kijken. Onderweg gaf het dashboard een alarmerend bericht door: de bandenspanning in de rechtervoorband was laag. Dat was geen goed teken, maar we bereikten Greonterp ruim op tijd, zodat we nog even in de klokkentoren konden kijken op de kleine begraafplaats voor Huize Het Gras. We liepen door het buurtschap (zo’n 15 huizen) waar de doorgaande weg doodloopt voor auto’s. Aan die kant had je schapen en een onmetelijk Fries landschap waarin het ruimhartig waaide en aan de andere kant zagen we op de toegangsweg naar Greonterp een citaat van Reven op de weg staan. In het minihaventje bij het bruggetje over de Opfeart lag een bootje met een regenboog: Pirate Pride.

Na het interview, waarbij ik een loopje deed van de begraafplaats naar het huis en langdurig door het raam naar binnen moest gluren, maakte makelaar Tryntsje Wagenaar-Stenekes haar opwachting. Geke liep met een microfoon achter mij aan om mijn eerste indrukken op te vangen. Maar ja, wat zeg je? Je hebt al zo’n 30 jaar lesgegeven over deze periode in de literatuurgeschiedenis. Het is inmiddels zelfs historische letterkunde geworden omdat deze doorloopttot 1970. In 1963 had Reve Op weg naar het einde uitgebracht en dat luidde een nieuw tijdperk in zijn schrijverschap in. In Greonterp verscheen Nader tot U, kreeg hij een proces aan zijn broek, trad hij toe tot de katholieke kerk, kreeg hij de P.C. Hooft-prijs als eerste van De Grote Drie en had hij de leukste levenspartner (Teigetje, later aangevuld met Woelrat). Je zegt dus: ‘Wat is het plafond laag. Kijk er hangen nog portretten van Reve.’ En toen vroeg ik de makelaar waar de trap naar boven was. Want die speelde een belangrijke rol in het Ezeltjesproces.

En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze Ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: ‘Gerard, dat boek van je – weet je dat ik bij sommige stukken gehuild heb?’
‘Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U,’ zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten, en daarna een presentexemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: ‘Voor de Oneindige. Zonder Woorden.

De steile trap naar de zolder bevond zich in de hoek van de Grote Salon, een beetje verscholen, aan de voet stond een lage boekenkast. Naast boeken van Reve, zag ik werk van Connie Palmen, J.M.A. Biesheuvel, Hella S. Haasse, Renate Rubinstein, Herman Koch en Yvonne Keuls. Bij dat trapje veranderde ik toch een beetje in een fanboy, want je kunt dan wel meer dan 30 jaar lesgeven over het Ezeltjesproces, maar als je eenmaal op de plek zelf staat, gaat er toch iets door je heen wat lijkt op literaire extase. Ik probeerde het uit te leggen aan Geke en een stagiaire, maar ik kreeg toch het idee dat ze een beetje medelijden kregen met iemand die in vervoering raakt van een nogal rudimentaire trap. Eerder die week had Geke me al verteld dat er tijdens de redactievergadering slechts één iemand was die wist wie Gerard Reve was. De Grote Drie betekende voor het laatst iets voor mijn generatie.

Toen we wegreden zag ik dat de rechtervoorband meer lucht had verloren. In Blauwhuis (met eeuwige literaire roem dankzij het gedicht ‘Graf te Blauwhuis‘) namen we nog een kop koffie met appeltaart in café de Freonskip. Bij een vorig bezoek aan de streek had de eigenaar al verteld dat zijn vader niet veel moest hebben van Reve, omdat hij wilde drinken volgens het principe ‘eentje van mij, eentje van jou’ wat voor een kroegbaas geen gunstige regeling is. Bij het wegrijden van het café was de bandenspanning gedaald tot 10, wat bevestigd werd door een vrouw die op de ruit tikte en waarschuwde dat we een lekke band hadden.

Het moet de voorzienigheid zijn geweest dat er op 100 meter een garage was, net overgenomen door twee jonge gasten waar Reve als een blok voor gevallen zou zijn (ik wel in ieder geval). Van die stoere, stille jongens. De eigenaar van de twee ging meteen aan de slag en had binnen een kwartier het lek gevonden, gerepareerd en de band weer onder de auto gezet. Hij wilde er slechts 20 euro voor hebben, die ik gelukkig in contanten bij me had. ‘Was toch zo klaar,’ zei hij. Ook hij had nooit van Gerard Reve gehoord. Gelukkig geeft dat helemaal niets in het echte leven.

Coen Peppelenbos