Column: [Sic] – Is dit scheve gebit nu mijn sellingpoint?
Is dit scheve gebit nu mijn sellingpoint?
Terwijl Dean Bowen optreedt, kijk ik continu naar het glas op mijn tafeltje. Alle dichters nemen hun drank mee en zetten het voor zich op de katheder. Moet ik daaraan meedoen? Ik heb maar acht minuten en nooit dorst. Bovendien gaat het hier om appelsap.
‘Bedoel je cider?’ vroeg de barvrouw.
Ik ben aan het rillen en zou het bovenste knoopje van mijn overhemd dicht willen doen, maar dan is de ketting om mijn hals niet meer zichtbaar. Mijn sigaretten heb ik in Amsterdam laten liggen. Ik blijf al dagenlang op de been met ibuprofen en steeds als ik er bijna door ben, breekt een nieuw literair evenement me op. NK Poetry Slam, Boekfest, Poezieboys. Revisorpresentatie, Heleen van Royen achter het raam, Nacht van de Poëzie. Tussendoor in de winkel staan en de eerste versie van de roman afschrijven. Het zijn roofbouwdagen. Vandaag geboekt in Groningen, door Poëzie Met. Het thema is ‘verzet’. De zaal is overvol met alternatievelingen, ze zijn de nachtmerrie van de security. Uit alle denkbare openingen steekt ijzer.
Toen ik exact een jaar geleden op het podium stond tijdens de finale van het NK Poetry Slam, wist ik al dat het mijn laatste slam zou worden. Ik had het gezien aan de mensen die wel doorgingen; de razendsnelle verzuring wanneer het rad van fortuin niet meer in hun voordeel stilviel. Ze waren ‘te poëtisch’ geworden, het publiek te dom. Dat het publiek het jaar daarvoor net zo goed te dom kon zijn geweest, werd nooit overwogen.
Nee, ik zou niet meer slammen. En met open podia was het ook voorbij. Ze moesten me vragen.
Dat gebeurde een halfjaar later pas, voor een socialistisch festival, nadat ik de programmeur toevallig had gesproken in de kroeg. Ik vertelde dat ik over sociale migratie dichtte en dat was hier en hier te lezen. De programmeur was geïnteresseerd. Zou het me leuk lijken om op te treden op het festival?
Zo kwam ik op de socialistische en communistische radar en zijn al mijn optredens sindsdien (welgeteld drie) gelieerd aan die politieke stromingen. Steeds opnieuw breng ik te berde dat ik niet zo politiek bewogen ben, dat ik weliswaar links stem maar ook naar Vandaag Inside kijk. Het socialistische festival was even in beraad gegaan en vond dat dat verhaal juist óók verteld moest worden: de beleving van binnenuit. Veel mensen uit mijn oude klasse zijn nu eenmaal niet politiek bewogen.
Welbeschouwd ben ik het uitgeteerde kind op het omslag van de Oxfam Novib-folder. Ik voel me daar niet slecht bij, sterker nog: het is mijn eigen keuze. Was ik niet over sociale migratie gaan schrijven, dan waren die boekingen en zelfs dat boekcontract er waarschijnlijk nooit gekomen.
In de vijfballenrecensie van Asmae Amaddaous debuutbundel Brand lieverd brand van deze week schrijft recensent Maria Barnas over tanden die ‘aandoenlijk scheef’ staan.
Zal ik van de subsidie van het Letterenfonds een beugel nemen? Of is dit scheve gebit nu juist mijn sellingpoint?
Misschien doe ik mij commerciëler voor dan ik ben. Zodra het opkomstapplaus verstomd is en ik de regels uit mijn poëzieboekje opdreun, word ik de verpersoonlijking van de onderdanige stem die uit mijn gedichten spreekt. Daar is niets gemaakts aan. Het gemaakte zit hem in de selectie vooraf, in waarom ik wél over de voedselbank dicht en niet over de natuur.
Ik voel hoe mijn ogen groter worden, niet als een hert in de koplampen, maar als de koplampen zelf. Ik heb er geen controle over, het gaat automatisch. ‘Begrijp je wel hoe raar het is / om het noodnummer te zijn in je eigen agenda / en nooit gebeld te worden?’ Het publiek maakt hummende geluidjes om mijn aandoenlijkheid. Ik voel me naakt, naakt en klein. Een paar maanden niet optreden en ik ben weer terug bij af. Aan het einde van de slamcyclus voelde ik bijna niets meer. Ik weet dat dit het juiste is, ik doorleef mijn teksten en ben kwetsbaar.
De presentator kondigt me af met warme woorden en vraagt wanneer de bundel uitkomt. ‘Eerst komt helaas je roman uit toch?’ Drie weken terug feliciteerde de programmeur van ILFU me met het bijna afronden van de eerste versie. Van mijn roman, verduidelijkte ik. Haar gezicht betrok en ze zei dat ze zo’n zin had gehad in mijn bundel.
De vloek van het uitoefenen van beide genres is dat iedereen je alleen maar kent van je optredens op het podium, en proza is daarvoor niet geschikt. Het lijkt op dit soort avonden wel alsof poëzie het genre is dat daadwerkelijk gelezen wordt, en de roman een curieus uitstapje.
Na afloop voer ik met twee docenten inhoudelijke gesprekken over meesterschap. De donatiepot vul ik met een vijfde deel van mijn gage. Ik houd het bij één biertje en ga vroeg in de nacht naar huis. Op mijn OV-fiets denk ik aan de eveneens grieperige Hannah van Binsbergen, die tijdens een intermezzo in haar voordracht zei dat ze ten tijde van haar debuut schreef over machteloosheid en dat ze zich nu gelukkig veel strijdbaarder voelde. Ze kreeg er applaus voor. Ik probeer me voor te stellen dat ik haar ontwikkeling doormaak. Ik probeer het me echt voor te stellen.
Martijn van Bruggen
