Man maakt stuk | De eerste roman ever over hangjongeren

Eerst een rant. Sorry, maar dit moét even.
Er zijn dingen die ik nooit, echt nooit meer wil lezen, en helemaal bovenaan de lijst staan: Nederlandse romans met kunstenaars als personage.
Waarom toch oefent het wereldje van de hedendaagse kunst zo’n grote fascinatie uit op Nederlandse schrijvers? De romans over kunstprojecten die uit de hand lopen is eindeloos, met als meest recente voorbeeld het kolossaal overschatte Luister van Sacha Bronwasser. Tot brakens toe heb ik romans over kunstenaars gelezen: altijd weer over hun enorme ego’s, het geld dat die in die sector tegen de plinten klotst, de rücksichtlosheid waarmee ze gewone mensen bij hun “experimenten” betrekken. De personages zijn doorgaans even gelaagd als baddies in een actiefilm. Ik zeg niet dat die portrettering er altijd naast zit, maar: dat wereldje is nu al zó vaak op de korrel genomen dat ik van de weeromstuit de verdediging van al die gladjakkers en manipulatieve psycho’s wil opnemen.
Bijkomend puntje: ik wil romans lezen over diverse mensen. Niet telkens weer over datzelfde groepje rijke Amsterdammers dat over de middelen beschikt om hun oceanische hoeveelheden vrije tijd op te vullen met installaties en performances. Niets mis met die mensen, maar intussen is echt elke vierkante millimeter van de bubbel die ze bewonen beschreven. Dit onderwerp is op, leeg, uitgeput. Boodschap aan alle Nederlandse schrijvers: nothing to see here! Move – the – f – on.

Ik probeer kalm te blijven
Wat ik eigenlijk wou zeggen: ik sprong geen gat in de lucht toen ik merkte dat David Verheijden, de hoofdpersoon van Man maakt stuk, kunstenaar is. De roman, geschreven in de eerste persoon, neemt bovendien de vorm aan van een lange brief van die kunstenaar aan zijn galerist, de (uiteraard) publiciteitsgeile, geldbeluste gladjakker Tom Ruijgrok. Een mens zou voor minder eens lekker hard met de ogen rollen.
Maurits de Bruijn, die met Man maakt stuk zijn derde roman schreef, maakt veel goed met zijn onderwerpskeuze. Het gaat over een meteen herkenbaar en toch ook onderbelicht beschreven conflict: de buurt versus de hangjongeren.
David Verheijden woont in Amsterdam, op een eerste verdieping. Zijn flat is bescheiden maar heeft één pluspunt: een soort erkertje dat uit de gevel steekt en dat uitzicht biedt op een groot plein. Helaas, precies onder dat erkertje staan, elke avond en tot diep in de nacht, een paar jongens. Te kletsen, te roken, te niksen. David kan, nee, moét elk woord horen dat ze zeggen. De stank van hun wiet drijft door zijn flat. Hij is blootgesteld aan de muziek waar ze naar luisteren, ‘een soort gabbermuziek die blijkbaar weer in zwang was geraakt’. De jongens zijn overal en ze zijn niet weg te slaan. ’s Morgens liggen er patronen van lachgas op het voetpad. (Onschuldig, natuurlijk, maar bij het woord ‘patroon’ denk je toch direct aan wapens, ergo, aan geweld.)

David probeert kalm te blijven
Ook andere buurtbewoners krijgen het op hun heupen. Ze houden David op straat staande om mogelijke maatregelen te bespreken… terwijl ze hem voordien zonder een groet voorbijliepen. David is homoseksueel en heeft een voorliefde voor kleren die geen twijfel laten bestaan over zijn geaardheid. Dat was voldoende om op straat genegeerd te worden: ‘Waarschijnlijk wist de gehele buurt precies waar ik woonde, zeker gezien mijn uiterst zichtbare serre, en met terugwerkende kracht werden alle keren dat ik niet door deze buurtbewoners was begroet stukken kwalijker.’
David is zó geërgerd, dat hij koppig staande houdt geen last te hebben van de jongens onder zijn erkertje (ook al draagt hij intussen zelfs in bed een hoofdtelefoon met ruisonderdrukking). Als hij moet kiezen tussen de hangjongeren en de witte buurtbewoners heeft hij niet de indruk in dat tweede kamp écht welkom te zijn.
Bovendien maakt David niet echt deel uit van de burgerij. Ja, hij heeft kunst gestudeerd, maar veel van zijn collega-studenten hebben rijke ouders: als hun kunst-dingetje op niets uitdraait, als deze Icarii uit de lucht vallen, landen ze nog altijd op een matras van geld. David heeft geen rijke ouders en zijn financiële situatie is precair. Hij woont dan wel aan dat mooie plein, maar de flat is gehuurd via zijn galerist, en dan nog aan een vriendenprijsje.
Man maakt stuk gaat dus ook over sociale klasse: de burgerij die haar rust wil staat diametraal tegenover de jongeren die (volgens een nevenpersonage) niet het privilege hebben om ‘je terug te trekken, je te verstoppen’, die zijn ‘veroordeeld tot dat stuk straat voor jouw huis’. Haves en have nots.
Wat doen die jongens onder de streep eigenlijk verkeerd? David probeert het probleem kalm te analyseren, het weg te redeneren. ‘Ze voelen zich thuis op een plek die in principe van iedereen zou moeten zijn,’ besluit hij. Prima, toch?
Maar die kalme analyse is geen lang leven beschoren.

Mark Cloostermans

Volgende aflevering:
Vanuit de marge
(Man maakt stuk, Maurits de Bruijn, 2/4)