De lokroep van de klopstenen naar een omheind hier

Herinneringen zijn niet lineair. Het leven ook niet. We volgen geen rechte lijn van A naar B, maar komen onverwachte wendingen tegen. Water is het perfecte element als symbool voor deze dynamiek. Sinds Johnsons debuut Veenland uit 2016 vormt water een rode draad in haar werk. Het symboliseert het voortdurende gevoel van verandering: niets blijft zoals het is, alles stroomt.

In haar derde roman Lange golven gaat Johnson een stap verder. De transformerende, fluïde kracht van water blijft een centraal thema, maar de schrijfster heeft nu de constante energie van eb en vloed doelbewust ingezet in de structuur van de roman. Zoals de golven zich nu eens rustig terugtrekken van de kust, zo kent dit werk momenten van geluk. Die staan zorgvuldig georkestreerd tussen indringende scènes waarin personages langzaamaan kopje onder gaan. Deze organische opbouw vormt een hecht geheel. Gewillig laat je je meeslepen in dit magnifieke epos over drie generaties moeders.

In het eerste deel, getiteld ‘Het eiland’, leren we achtereenvolgens Edith, Ruth en Ori kennen. Edith, moeder van de dertig jaar geleden verdwenen Ruth en weduwe van de pas gestorven dominee Patrick, staat op het punt te verhuizen. ’s Nachts zwerft ze door het huis. Overal ziet ze ‘de sporen van moederschap, de sporen van een opgroeiend kind, de sporen van een verloren kind’. Als ze boeken inpakt, valt een lijvige encyclopedie. Ze ziet dat een pagina hardhandig omgevouwen is en weet dat Ruth dit ooit moet hebben gedaan. Uiteraard om haar te sarren, want zij houdt niet van plooien, maar wil alles gladstrijken. Als ze naar de pagina kijkt ziet ze het woord EILAND. ‘De warmte trekt uit haar gezicht en haar handen trillen terwijl ze ernaar kijkt.’

Ook het volgende hoofdstuk kent de tegenwoordige tijd en een alwetend vertelperspectief. Ruth is eindelijk op het eiland. Hier droomt ze al jaren van. Het is ‘subliem en angstaanjagend, bovenaards’. Ruth heeft een dochter bij zich die ze alleen achterlaat bij de vuurtoren terwijl zij het eiland verkent. Steeds verder dwaalt ze af tot ze zichzelf dwingt terug te keren naar Ori: ‘Ze loopt door, denkt aan de woorden die ze tegen Ori wil zeggen. Ik hou van je, ik zal altijd van je houden. De bodem voor haar voeten is…’.

Op een open plek wacht de zesjarige Ori tot haar moeder terugkomt. Ook zij heeft net als haar moeder bezwerende gedachten: ‘Ze zullen naar huis gaan, ze zullen chinees halen, ze zullen de anderen over hun uitstapje vertellen, het eiland zal weer een verhaal zijn. Dat is wat er zal gebeuren.’ Maar het wordt donker, weer licht en haar moeder komt niet terug. De volgende nacht schuilt ze bij onweer in de vuurtoren. ‘Als ze weer wakker wordt begrijpt ze ineens wat ze verkeerd heeft gedaan: ze heeft haar klopstenen niet tegen elkaar aan geslagen. Daarom kan haar moeder haar niet vinden.

Het vierde en laatste hoofdstuk van deel I is voor Min, de man die de dromen van hazen bestudeert op het eiland. Hij vindt Ori als hij een haas denkt te volgen. Ori’s armen zijn bloot en blauw. Hij slaat zijn jas om haar heen, raapt haar gevallen stenen op en stopt ze in zijn zak. ‘Ze weegt bijna niets, als een armvol sneeuw.’

In slechts elf pagina’s heeft Daisy Johnson de contouren van haar indringende verhaal over moederschap getrokken. We weten meer dan de personages, voelen ons betrokken bij hun dilemma’s en kennen enkele belangrijke onderstromen uit het verhaal (zoals het onuitwisbare belang van het eiland, de klopstenen, de complexe relatie tussen moeder Edith en dochter Ruth en tussen tienermoeder Ruth en haar dochtertje Ori). In de volgende dertien delen buitelen heden en verleden over elkaar heen. We verblijven afwisselend bij zeven personages, maar de meeste tijd spenderen we bij Ori en Ruth (respectievelijk 14 en 9 van de 44 hoofdstukken).

De gefragmenteerde structuur weerspiegelt het getij en symboliseert het thema van de roman: de ontwrichtende en monumentale impact van het prille moederschap. Daisy Johnsons psychologisch gelaagde verhaal cirkelt rond de fundamentele metamorfose van het moeder worden. Met alle daarbij horende overweldigende gevoelens: euforie, afvlakking van emoties door uitzonderlijke vermoeidheid, angst voor de verantwoordelijkheid, de desoriëntatie na een bevalling en de versplintering van je zelfbeeld door het steeds prioriteren van de noden van je baby. Bij Ruth en Ori speelt ook de impact van een getroebleerde jeugd op de invulling van hun moederschap.

Het laatste woord in dit verhaal is niet zomaar voor het eiland. Net als in eerdere romans van Daisy Johnson ( m.n. in het eerder genoemde Veenland en in Onder water) fungeren desolate plekken als personage en zijn ze verweven met het thema. De laatste zinnen van de roman brengen het eiland terug tot de proporties van een verhaal: ‘De zee stijgt, bedekt het eiland. Het is uit zicht.’

Maar niets is minder waar. Dankzij Daisy Johnsons mythische vertelkunst zal dit eiland altijd een blijvende herinnering vormen aan de memorabele zoektocht van de moeders Ruth en Ori die – met de wanhoop nabij – blijven verlangen naar een veilig thuis. Ik zal de lokroep van de klopstenen naar een omheind hier nog vaak horen. Johnsons overweldigende, doorvoelde kracht van verbeelden blaast je finaal omver. Alles hangt met alles samen en je gelooft het volledig. In slechts tien jaar tijd heeft Daisy Johnson een oeverloos intrigerend oeuvre weten te scheppen. Grote hulde ook voor Lisette Graswinckel die heel precies Johnsons meanderende ritme en betoverende stijl heeft weten te vangen in het Nederlands.

Miriam Piters

Daisy Johnson – Lange golven. Vertaald door Lisette Graswinckel. Koppernik, Amsterdam. 276 blz. € 24,50.