Recensie: Emily Eakin – Mijn leven in theorie
Betoverd door Theorie
In zijn Geschiedenis van de seksualiteit (1976) schreef de Franse filosoof Michel Foucault (1926 – 1984): ‘Maar wat is filosofie tegenwoordig dan als ze niet de kritiek van het denken op zichzelf is?’ Foucault behoorde tot de Franse filosofen dat na de Tweede Wereldoorlog internationaal furore maakte, wier geschriften en publieke optredens in Frankrijk voer voor de voorpagina’s van de dagbladpers was. Sartre, De Beauvoir, Camus en Merleau-Ponty waren de eersten: existentialisme was de filosofische mode van de jaren 1950 en begin 1960.
Ze werden opgevolgd door met name Foucault, Lévi-Strauss, Barthes, Althusser, Deleuze, Derrida en Lacan, die afstand namen van het existentialisme en van wie sommigen het stempel structuralist opgedrukt kregen, of wat later dat van poststructuralist, Althusser een anti-humanistische variant van het marxisme ontwikkelde en Derrida met zijn deconstructie op onnavolgbare wijze teksten (psycho-)analyseerde. Deze tweede groep werd in de Verenigde Staten met veel applaus onthaald aan de universiteiten, samenhangend met het opbloeien van de sociale en literatuurwetenschappen. Een deel van de Amerikaanse academische wereld viel als een blok voor deze Franse filosofen en hun filosofie die eerst kritische theorie werd genoemd en later simpelweg Theorie. Studenten volgden hun docenten en als het even kon gingen ze een jaar naar Parijs om colleges van hun idolen bij te wonen. Emily Eakin was een van die studenten. Tegenwoordig is ze redacteur van The New York Times Book Review. Over de jaren waarin ze in de ban was van Theorie, schreef ze een prachtig boek, Mijn leven in theorie, waarvan onlangs een vertaling verscheen bij Athenaeum-Polak & Van Gennep.
In Mijn leven in theorie vermengt Eakin haar eigen verhaal over hoe ze zich destijds, als jonge student, ingroef in het werk van haar Franse idolen met haar inzichten in hun filosofische werk die dat opleverde. Ze illustreert die mix met passages over het persoonlijk leven van die idolen. In tegenstelling tot wat men in Amerika zag als een hechte groep filosofen met onderling verwante ideeën, waren het in feite mannen – op een enkeling na waren het mannen – wier levensstijlen onderling sterk verschilden en die in hun streven naar aandacht van de media met roddel en achterklap lucht gaven aan onderlinge afgunst. Verder vielen er grote persoonlijke tragedies op te tekenen: Foucault werd een vroeg aids-slachtoffer, Barthes stierf na in Parijs aangereden te zijn door een stomerij-busje en Althusser bracht tijdens een psychotische episode zijn vrouw om het leven.
In 2015 verscheen over deze groep filosofen een roman met trekken van een thriller annex detective van de hand van de Franse succesauteur Laurent Binet, De zevende functie van taal.. Mag je dat boek, fictie immers, vergelijken met Mijn leven in theorie? In elk geval wel waar het om hun respectieve weergaven gaat van de ideeën van de filosofen om wie beide boeken draaien. Zo’n vergelijking pakt in het voordeel uit van Eakin. Waar Binet probeerde die ideeën kort samengevat en in voor ieder begrijpelijke taal uit te leggen om de lezer het zicht op de plotontwikkeling niet te laten verliezen, maar daardoor nogal wat lastige aspecten van die ideeën negeerde, doet Eakin (meer) recht aan hun complexiteit.
Complexiteit die ook uit de verf komt dankzij passages waarin ze vertelt hoe ze enerzijds grote moeite heeft gehad met het doorgronden van de vaak uiterst lastige taal die deze filosofen gebruikten, maar daar anderzijds als zovelen door betoverd raakte. Zelfs de betekenis van, op het eerste gezicht, makkelijke zinnen, bleken en blijken bij nadere beschouwing erg moeilijk te begrijpen, zoals de zin waarmee ik deze recensie opende.
Sceptici opperen dat Franse filosofen moeilijk schrijven, omdat ze anders niet serieus genomen worden door het Franse publiek, maar dat wél serieus genomen worden niet betekent dat het publiek hun boeken leest. De ideeën van deze Franse filosofen zijn min of meer uit de mode geraakt, zonder volmondig te zijn verworpen. Misschien omdat men er uiteindelijk weinig mee wist aan te vangen, of omdat hun hermetische karakter zelfkritische beschouwing nauwelijks toestaat. (Wat filosofie verder ook is, zij is in elk geval denken. Maar wat is dan ‘kritiek van het denken op zichzelf’?)
Eakin heeft afstand genomen van Theorie, maar zonder de ideeën ervan te verwerpen. Ze hebben haar begrip van macht, waarheid, taal en identiteit vergroot, maar haar begrip is onttoverd, zou je kunnen zeggen. Fijn dat een onttoverde geest zo’n goed boek kan voortbrengen.
Hans van der Heijde
Emily Eakin – Mijn leven in theorie. Vertaling Marlies Weyergang, Hilde Papma, Arwin van der Zwan en Annemie de Vries. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam. 568 blz. € 34,99.
