Aan de wereld deugt maar weinig en aan Oostenrijk helemaal niets

Met Oude Meesters voegt Uitgeverij Vleugels al het dertiende deel toe in haar serie vertalingen van werk van de Oostenrijkse auteur Thomas Bernhard (1931 – 1989). Vertalingen die allemaal van de hand van Ria van Hengel zijn. Zwartgalligheid en grondige afkeer van alles en iedereen, maar vooral van Oostenrijkers en van wat Oostenrijk en Oostenrijks is, bepalen net als in het andere werk van Bernhard in Oude Meesters toon en inhoud. De wijze waarop hij die in zijn meanderende zinnen giet, toont ook humor.

In Oude Meesters treedt ene Atzenbacher, een man op leeftijd, op als schrijvende verteller of als tegen een onbekende en anoniem blijvende verteller; Bernhard doet geen moeite duidelijk onderscheid te maken. Zinnen in de ik-vorm eindigen soms met ‘schrijft Atzenbacher’ en op andere plaatsen met ‘zegt Atzenbacher’. Atzenbacher is door de door hem bewonderde, bejaarde Reger, uitgenodigd voor een ontmoeting in het Weense Kunsthistorisches Museum, in de Bordone-zaal. Daar, tegenover Tintoretto’s Man met witte baard, brengt Reger om de dag enkele uren door, zittend op de bank die de suppoost, Irrsigler, voor hem vrij pleegt te houden.

Atzenbacher is verbaasd over de uitnodiging en heeft zich daarom ruim voor de afgesproken tijd in de belendende Sebastiano-zaal geposteerd om Reger van daaruit ongezien te kunnen bespieden, hopend uit diens gedrag conclusies te kunnen trekken over de aard en de ernst van Regers verzoek. Terwijl Atzenbacher Reger bespiedt laat zijn bewustzijn zich meevoeren door een stroom van gedachten over Reger, Regers muziekrecensies voor The Times, zijn relatie met Irrsigler, Regers teruggetrokken leven sedert zijn vrouw is overleden en Regers opvattingen over van alles, opvattingen waarmee Atzenbacher het niet oneens lijkt te zijn.

We zijn al flink gevorderd in Oude Meesters als Atzenbacher stipt op tijd naast Reger plaats neemt op de bank. Het gesprek dat volgt is eigenlijk geen gesprek: Atzenbacher geeft het weer als een lange monoloog van Reger, die over heel veel wat te zeggen heeft, maar het verzoek dat hij Atzenbacher wil doen lang ongezegd laat. Pas aan het eind van Oude Meesters maakt hij duidelijk waarom hij Atzenbacher heeft uitgenodigd om zich bij hem te voegen in Bordone-zaal van het Kunsthistorisches Museum. Tot dat moment begint hij steeds weer met te zeggen dat hij het daarover straks zal hebben, eerst wil hij graag vertellen…, waarna een zoveelste betoog of tirade volgt tegen… ja, tegen bijna alles eigenlijk, zelfs tegen de concerten die hij al tientallen jaren bespreekt voor The Times. ‘Ik haat …’, die woorden gebruikt Reger om de haverklap.

Omdat Bernhard Atzenbacher soms tegen de anonieme auteur laat spreken, kunnen zinnen eindigen met: ‘[…] zei Reger, zei Atzenbacher’. Of, komischer klinkend: ‘[…] zei Irrsigler, zei Reger, zei Atzenbacher.’

Bernhard deed niet aan alinea’s met inspringingen, of het met een nieuwe regel laten beginnen van dialoogbijdragen, ook niet in Oude Meesters. Gevolg daarvan is een massief paginabeeld van geheel met tekst uitgevulde rechthoeken. Sommige lezers laten zich daardoor afschrikken. Maar zodra je inziet dat het om teksten gaat die een bewustzijnsstroom weergeven, zie je ook in dat deze vorm effectief is en in zekere zin realistisch.

De vertaling van Ria den Hengel is weer uitstekend, maar de schoolmeester in mij dwingt me op een foutje te wijzen: ‘hartgrondig’ is toch echt met ‘t’ is en niet met een ‘d’.

Hans van der Heijde

Thomas Bernhard – Oude Meesters. Vertaling Ria van Hengel. Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk. 178 blz. € 25,95.

Te koop bij de betere boekhandel of direct bij de uitgever