De helende werking van de tijd

Langzaam, heel langzaam, las ik Nevermore van Cécile Wajsbrot. De roman is een ode aan het tijdrovende proces van literair vertalen en aan de helende werking van de tijd. Het naamloze ik-personage in Nevermore reist van Parijs naar Dresden om daar het middendeel uit Virginia Woolfs To the Lighthouse (1927) te vertalen. Dat ‘prozagedicht’ binnen de roman heet ‘Time Passes’ en is lastig toegankelijk. Omdat je in Nevermore als lezer woord voor woord meedenkt met de keuzes van de vertaalster, zie je goed hoe ambigu Woolfs tekst is. En hoe rijk. Al lezende groeide mijn bewondering voor literair vertalers en vooral voor vertaler Josephine Rijnaarts. Zij moest een boek over een vertaling van het Engels naar het Frans vertalen naar het Nederlands. Over dit bijna hallucinante vertaalproces schreef Josephine Rijnaarts een mooi essay. Als voorbeeld de gedachten van de vertaalster in Nevermore over de kortste zin in Time passes:

Violets came and daffodils. Viooltjes kwamen en narcissen. Er kwamen viooltjes tevoorschijn, en narcissen. De viooltjes kwamen uit en de narcissen. Er kwamen viooltjes op en narcissen. Ja, dat was nog wel het beste.

Vertalen is ook een beetje slopen. De vertaler herbouwt het originele kunstwerk, maar er gaat onherroepelijk wat verloren. Nevermore is dan ook een roman over verwoesting, verlies en wederopbouw. Virginia Woolf schreef over de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, Cécile Wajsbrot is een kind van Poolse joden en plaatst haar personage in Dresden, de stad die (als vergelding voor Coventry?) verwoest werd door de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog.

Ik bevond me in een stad die vroeger door luchtbombardementen was verwoest en vertaalde een tekst die op zijn manier verhaalde over de verwoesting door de tijd en de verwoesting der tijden door de mens, over de verdwijning van de bewoners van een huis die stond voor een omvangrijker verdwijnen, voor een grotere afwezigheid.

Dresden is inmiddels weer fraai opgebouwd. De vertaalster reflecteert ook op de verwoesting van Tsjernobyl en de verlaten stad Prypjat, waar weer nieuw, ánder leven mogelijk is. Ze leest gedichten over verzwolgen steden en luistert naar het War Requiem van Benjamin Britten. In intermezzo’s beschrijft ze de Highline in New York, ooit een druk en daarna verlaten industriegebied, nu een groene toeristische trekpleister, beplant door de Nederlandse ontwerper Piet Oudolf.

De vertaalster rouwt in Dresden ook om de dood van een vriendin. Zij was een vrouw die literatuur schreef en de vertaalster worstelt met haar wens om zelf een roman te schrijven. Is scheppen zinvoller dan vertalen, dat je herscheppen kunt noemen?

Iemand verliezen – de stilte waarmee en muziekstuk begint. Die dingen geven ons leven reliëf, ze vormen de achtergrond waartegen ons leven zich afspeelt. Ik kan niet zeggen dat ik haar gezicht zie, soms even, even vaag – ik heb ook nooit geweten wat een mentaal beeld is. Maar ik hoor haar stem, vreemd genoeg zonder woorden, muziek zonder woorden – of de herinnering aan woorden die ik heb gehoord, de schaduw van woorden die zijn gezegd. Zoals de sporen van bewoning in ‘Time passes’.

‘Time passes’ is een rustmoment in To the lighthouse, maar ook het moment waarop de tijd zijn werk doet. Helend en troostend, de scherpe randen van het verlies verzachtend. Langzaam herstelt de vertaalster in Nevermore, wandelend langs de oevers van de Elbe, aanvaart het menselijk tekort en lijkt zich te schikken in de gebeurtenissen.

Nevermore wordt aangeprezen als ‘geestverruimende roman’. Ik vond het een overdonderende leeservaring en kon het niet laten om sommige verwijzingen naar kunstwerken te gaan onderzoeken. Hoe klonken de klokken in Wallmanns herdenkingsrequiem ‘Bell Requiem Dresden’? Hoe zien de Seascapes van Hiroshi Sugimoto’s eruit? Hoe eindigde To the lighthouse ook alweer? Nodig is al dat speurwerk zeker niet. Je kunt je ook helemaal laten meevoeren met de associaties van Wajsbrot, zoals het eeuwig stromende water door de Elbe.

Petra Teunissen

Cécile Wajsbrot – Nevermore. Vertaald uit het Frans en van een nawoord voorzien door Josephine Rijnaarts. Oevers, Zaandam. 256 blz. € 22,50.