Recensie: David Diop – Waar de hemel rust
De tocht van de griot
De hemel rust in het westen, daar waar de zon ondergaat. Het verhaal, of beter: de twee spiegelende verhalen van de roman Waar de hemel rust van David Diop (Parijs, 1966), begint in het oosten van Noord-Afrika en volgt de zon naar het westen, naar de Atlantische kust van Noordwest-Afrika, een enorme afstand. Diop brak internationaal door met zijn korte roman Meer dan een broer. Waar de hemel rust is Diops derde roman die in een vertaling van Martine Woudt bij Cossee verschijnt.
In Waar de hemel rust vertelt een alwetende verteller over de avontuurlijke, duizenden kilometers lange tocht van Bilal Seck van Mekka naar zijn geboortegrond aan de noordwestelijke Afrikaanse kust, daar wat nu Senegal is. Samen met zijn adellijke vriend Thiaw – Bilal is zelf van lage komaf – is hij in 1893 voor een hadj-pelgrimstocht naar Mekka gereisd, om vlak voor het bereiken van hun bestemming in een ernstige cholera-epidemie terecht te komen. Bang dat zijn adellijke bloed besmet zal worden door het onzuivere bloed van Bilal gaat Thiaw er vandoor, Bilal aan zijn lot overlatend. De cholera laat Bilal wonderlijk genoeg ongemoeid.
Bilal is griot, bewaarder en verteller van de geschiedenis van zijn volk. Eenenzeventig griot-generaties gingen hem voor, waarvan de eersten in hun verhalen de geschiedenis van een barre tocht opnamen van hun volk van oostelijk Afrika naar het westen, verdreven door de (Hellenistische) Ptolemeïsche heersers, die de traditionele Osiris-verering als heiligschennis beschouwden. Bilal kent dat verhaal dus, sterker: hij kan het woordelijk reproduceren en voordragen. Hij besluit dezelfde weg te kiezen als zijn voorouders van ruim tweeduizend jaar eerder en zo zijn eigen verhaal te modelleren naar het oude. Misschien doet hij dat ook omdat het oude verhaal hem vertelt welke gevaren hem bedreigen en hoe hij zich daartegen teweer kan stellen.
In Waar de hemel rust wisselt Diop steeds af tussen de oude geschiedenis, zoals gereproduceerd door Bilal en die van Bilals eigen tocht. Bij het lezen van de eerste hoofdstukken van die oude geschiedenis hou je maar beter pen en papier bij de hand om een lijstje van wie is wie en wat te maken, anders raak je gemakkelijk het spoor bijster.
De tocht voert Bilal via Jeddah en Abydos naar Luxor, waar archeologen en grafrovers zoeken naar schatten uit de Egyptische oudheid. De berooide Bilal laat zich inhuren door wat grafrovers zullen blijken, overleeft een avontuur, dat sommige lezer wel eens nachtmerries zou kunnen bezorgen, en gaat ervandoor met goudstukken en een met edelstenen ingelegd gouden hamertje uit een door woestijnzand bedolven Osiristempel. Vanaf dat moment zal hij zich langdurig, net als zijn verre voorouders, achtervolgd weten. In 1906, dertien jaar na zijn vertrek, bereikt Bilal eindelijk zijn bestemming. Intussen heeft hij ook een belangrijke taak van zijn griot-zijn volbracht: voor een drieënzeventigste griot zorgen.
Waar de hemel rust is, meer dan een roman waarin karakters worden uitgewerkt, een bijzondere vorm van geschiedschrijving. De verdubbeling van het verhaal van de eerste griotten en dat van Bilal werkt goed, maar eist ook het nodige van de lezer.
Hans van der Heijde
David Diop – Waar de hemel rust. Vertaling Martine Woudt. Cossee, Amsterdam. 300 blz. € 27,99.
