Zacharias Zelfkritiek

Als Heere Heeresma ook maar een vermoeden had gehad dat iemand als Anton de Goede, VPRO-radiocoryfee, journalist en voormalig medewerker bij Atheneum Boekhandel, zijn biograaf en voorvechter zou worden, was het hem in de laatste eenzame jaren wellicht wat beter ter moede geweest. In 2005 werkte Heeresma aan een verhalenbundel terwijl hij in Bussum een hok boven een shoarmatent woonde.

Treurigheid ten top want zijn vrouw had hem na vier decennia samenzijn enige jaren daarvoor verlaten, zijn dochter uit een eerder huwelijk zag hij allang niet meer en de verhouding met Junior was ernstig getroebleerd. Tot overmaat van ramp was zijn trouwe hond Pathé ook nog dood gebleven. Wat een mens allemaal niet moet doorstaan voor doorleefde literatuur.

Heeresma worstelde met het project, of zoals hij het zelf typisch Heere-lijk uitdrukte: ‘Problemen fietsten over mijn heirbaan en stoorden het schrijven. Maar de meeste rijwielen staan met lekke banden alweer tegen gindse pui en dus ga ik weer werken aan een verhalenbundeling.’
Een bundeling doortrokken van waarheidsbevinding waarvoor hij wel alvast een prijskaartje had gehangen omdat hij na jaren had werken ‘daaraan toe was’. Heeresma voorzag een publicatie in 2007, maar het geheel vlotte helaas niet.

Mijn helaas onverwoestbare metgezel Zacharias Zelfkritiek sloeg weer eens toe. Het eerste verhaal dat al ver gevorderd was, werd door ZZ afgekeurd. Zekerlijk, het was voortreffelijk geschreven maar er gebeurde alleen niets. En mooischrijverij wordt dezerzijds verworpen.

Het eerste echt afgeronde verhaal dat Heeresma naar de uitgever zond is ‘De draf van een eigen heimer’. Twintig jaar bleef het bij de Arbeiderspers in een map liggen, want door allerlei perikelen schreef Heeresma de bundel nooit af. De Goede wist het bij de erven en bij de uitgeverij los te weken voor een gelijknamige uitgave bij de Statenhofpers.

Het verhaal lijkt een afspiegeling van de gemoedstoestand van Heeresma zelf. Een armlastige eenzaat neemt met zijn weinige bezittingen zijn intrek op een tochtige zolderkamer. De trap ernaartoe is toepasselijk kaalgeslagen. Er is niet veel meer om vreugdevol over te zijn, de verveling wurgt deze uitkeringstrekker bijkans. Hij ligt onder de dekens, geluiden komen omfloerst binnen. ‘Ook ik zal een geluid bedenken maar dan iets dat niet valt te determineren. Het gerucht van een gerucht.’

Hij kijkt uit het raam naar wat er zich achter buurvensters afspeelt, koopt een kant-en-klare hap macaroni of andijvie bij de slager, uiteraard een morsig type. Hij eet een gedeelte en offert het restant op aan de vaalt buiten het pand waar hij verblijft. Zo af en toe gaat hij de straat op, zingt een deuntje, niet te hard in verband met de hermandad, een oude hoed paraat voor wat munten.

Hij is een muzikant, iemand bij wie naar eigen zeggen een bedeesde houding past. Evengoed laat hij een hulpeloze oude vrouw met boodschappen achter, zegt dat er om de hoek iemand wacht die beter kan tillen, geeft een échte zwerver in een koffiehuis een gehaktbal, maar verdwijnt zonder te betalen. De onvervalste Heeresma-branie. Wanneer de steuntrekker bij een automatiek een ‘bamivuist’ trekt, laat hij na een tweetal happen de rest weer aan de straat. Alsof de schrijver dit verhaal plengt.

Heeresma is onverminderd droefgeestig. Je hoort als het ware ‘In a Sentimental Mood’ van Duke Ellington, de tune onder Simon Carmiggelts Kronkels op tv, op de achtergrond meespelen. De armoe is bezig om het personage langzaam uit te wissen. Hij rijdt wat met de tram heen en weer. ‘En weer een dag van niks. Een dag die net zo goed niet geleefd had hoeven worden.’ Iets dat Heeresma in zijn appartementje in Bussum en nadien in Hilversum ook wel gedacht moet hebben.

De draf van een eigen heimer beklijft niet zo als vrijwel al Heerema’s andere werk. Het voelt toch wat onbewerkt. Maar Heeresma is wel degene die dat specifieke kunstje tot in het uiterste beheerst. Wanneer de protagonist uiteindelijk weer thuiskomt, blijkt er ingebroken te zijn. En in die korte scène, slechts een paar regels, straalt even weer de brille, hou je weer met heel je hart van ook deze Heeresma. De cacaobus met kleingeld staat onaangeroerd, de fluitketel staat op het gasfornuis zachtjes te zingen.

En iets zingt met hem mee, een emotie die hij inmiddels vergeten was vat hem weer eens aan. Ronduit geluk. Er is nu ook eens bij hem ingebroken. Hij telt nog mee in de wereld.

Een slotzin wat intentie betreft nauw verwant aan die van Reve’s De avonden. Mogen wij allen pleiten voor een verfilming van het droefgeestige en fijn onuitstaanbare leven van Heere Heeresma, de eenzaat bij uitstek, zodat de biografie Een gat in het hoofd een terechte megaseller wordt. (Bijna uitverkocht.) Lees intussen vooral ook Heeresma Houdbaar voor de intensiteit, het doorwrochte, de eigenzinnigheid, de bitterzoete geestigheid.

Guus Bauer

Heere Heeresma – De draf van een eigen heimer. Nawoord Anton de Goede. Statenhofpers. 45 blz. € 19,50.

Foto: Anton de Goede © Guus Bauer