Recensie: Margreet Schouwenaar – Route K
Wat zij morst
Over Hazenslaap van Margreet Schouwenaar schreef ik dat het is of ze met een schepnet door het leven gaat. Daarin schuilt een willekeur, want nooit zal de vangst hetzelfde zijn. In haar nieuwe bundel Route K is dat niet anders, behalve dat ze tussen de stukjes leven ook ineens – per ongeluk? – het einde heeft opgeschept. Ook daarin schuilt die willekeur. We weten allemaal dat het zomaar ineens afgelopen kan zijn, en toch zijn we er nooit op voorbereid. Schouwenaar laat in deze bundel zien hoe overrompelend zo’n brute vangst kan zijn.
De diagnose heeft je voegwerk aangetast, hoe denk je
nog rechtuit, hoe houd je je kranig als je branie verdwijnt
in brekerzand. Je zoekt uit, denkt verder, weer terug, vuurt
vragen […]
Opvallend is de beweging in Schouwenaars poëzie. Er zit een drijvende kracht achter, of onder de taal. Het doet denken aan golven, in al hun veelzijdigheid: je gaat kopje onder, verslikt je, maar je wordt er toch steeds naar toe getrokken, omdat je weet dat er niets tegen die golfbeweging op kan, je mee laten voeren door die natuurkracht. Zoiets doet Schouwenaar ook, maar dan in taal. En als zij alweer doordendert, terug de zee in, sta je nog met je voeten in wat ze achterliet: schelpen gruis en daartussen parels van woorden of zinsneden:
Je weet nu wat je wist, je kan liefhebben, er komt
afscheid. Alleen staat het nu met afgehakte voeten
voor je. Het gaat nergens meer heen. Zo onthoud je
de tussentijd beter. Wat wou je ook met honderd jaar,
inktkoelie? Je wilt immers alleen schrijven, verhalen
over hinkelen, struikelen, de huid van de eeuwigheid,
het onverbeterlijk groeien voor bloei. […]
Haar poëzie is van een overrompelende veelkleurigheid, die in deze bundel een prachtige echo krijgt in de tekeningen van Vera Jongejan. Ook daarin ‘golft’ het in kleuren en vormen. Op de voorkant prijkt een prachtige ‘vogelmens’. Een vogel heeft de vleugels over een vrouw geslagen en het kopje van de vogel rust in haar hals. Daardoor lijkt het of de vrouw zelf ook vleugels heeft gekregen. Als de vogel de dood is, is het de kunst om je door de dood te laten omarmen, juist omdat je het leven zo liefhebt. Aan de ene kant is er de angst voor het verlies: ‘En hoeveel heb je nog voor je kwijtraakt, loos wordt?’ Aan de andere kant is er het verlangen om het verlies de ruimte te geven: ‘Wordt ruimtegroot, / meer dan weids, laat wat in je beweegt wegen, niets / raakt zoals je weet kwijt. Ga verloren.’
Behalve de angst voor het einde en het verdriet om het leven los te laten, is er ook de confrontatie met kille ziekenhuisruimtes, artsen die hun best doen, maar niet kunnen voorkomen dat je je geen raad meer weet met dat kwetsbare lichaam dat zich in allerlei vormen moet persen:
Je wordt ontdaan van cellen en kan er niets aan doen;
je ligt geketend. Bewegen is verboden; onderscheid
maken onmogelijk, alleen je ogen zijn nog onbedekt.
Denk aan bloemen, de blik van je moeder die de tijd
niet kreeg om te rusten in een bed van kraaienpootjes;
denk verder aan het schaamvolle kind dat je was en
hoe je toch huppelbenen hield. Zeven minuten lang
trekken je haren, per ongeluk klemgezet, aan je hoofdhuid.
Je reciteert lessen, geen hemel valt in. […]
Hier weet Schouwenaar zo precies de weerloosheid onder woorden te brengen, juist in dat ogenschijnlijk onbeduidende trekken van de klemgezette haren. Natuurlijk lijkt dat niet meer belangrijk als het gaat om levensbedreigende ziektes, maar het probleem van zulke ziektes is dat je die niet per se voelt. Je gaat met je hele hebben en houden, je dierbare herinneringen, de wetenschap dat je moeder je is voorgegaan – hoe prachtig: ‘een bed van kraaienpootjes’! – zo’n scanapparaat in, je weet dat er geen andere manier is, maar je blijft nog een mens die alles voelt, en het trekken aan haren voelt vernederend en stompzinnig, vooral omdat je weet dat de artsen er alles aan willen doen om de pijn te verzachten. Hier kun je niet mee aankomen, dus je verbijt je.
En dan is er ergens richting het einde de tekening van een klein meisje in een roze badpakje met een staalblauw emmertje in haar handen, waaruit het water over de rand gulpt. Dat bedoel ik: Schouwenaar neemt de zee mee in haar bundel, in de taal, en wat zij morst is wat de lezer raakt en wat deze in het hart bewaren zal:
Denk aan een kind dat water uit de zee haalt,
in een staalblauw emmertje. Bij elke stap klotst er iets
over de rand. Het zandkasteel is nog lang niet klaar,
maar op de weg erheen is wel een slotgracht gemorst.
Ga nooit halsoverkop.
Dietske Geerlings
Margreet Schouwenaar – Route K. Uitgeverij P, Leuven. 56 blz. € 22,00.

