Verdwenen gezichten

Kolonialisme heeft veel gezichten, doorgaans niet zo fraaie. Ineke Riem belicht in haar roman Er was eens een stenen hoofd de teloorgang van letterlijke gezichten, die van de boeddhabeelden die ooit onderdeel uitmaakten van de circa 800 jaar na Christus gebouwde en in 1814 ‘herontdekte’ grote tempel van Borobudur op Java. Ooit waren het er vijfhonderd, maar in de loop van de tijd is de helft daarvan verdwenen. Sommige doken weer op in musea overal ter wereld, maar er zijn er ook in particuliere handen gevallen. Een onmiskenbaar verhaal van roofkunst.

Beginnen met een aansprekend detail en daar een hele roman omheen bouwen is een beproefde methode, die veel gedaantes kan aannemen. Riem volgt enkele van de geroofde hoofden aan de hand van uiteenlopende personages, die er vaak door toeval mee te maken kregen. De hoofden kwamen op hun weg, bijvoorbeeld door een erfenis. Maar Riem dompelt haar lezers ook in stukjes geschiedenis, die de arrogantie, domheid en kwaadwilligheid van de kolonialen duidelijk doet uitkomen, al waren er ook in die kringen uitzonderingen:

Geen militair die ervan hield oude tempels te bestormen als tijdverdrijf zoals sommige jolige infanteristen. Door zijn inspanningen werd het juist verboden stenen van oudheden af te voeren voor de aanleg van bruggen of wegen of hele suikerfabrieken.

Riem is een gevoelig verteller met oog voor omstandigheden, toen en nu, voor landschappen en stadsleven, waarin individuen slechts onwetende passanten lijken te zijn. Het relativeert enigszins het verwoestende gedrag van de kolonialen van vroeger, overigens zonder die vrij te pleiten. Meer een kwestie van ‘ze wisten niet wat ze deden’. Waardoor je meteen kritisch gaat kijken naar degenen die er in onze tijd nog steeds niet van overtuigd zijn dat roofkunst hier niet thuishoort.

Er was eens een stenen hoofd, de titel houdt het bij enkelvoud, maar het gaat hier dus over honderden hoofden, zoomt in op de materiële kant van het kolonialisme. Niet op het menselijk leed dat is aangericht, al heeft het een natuurlijk wel een direct verband met het andere. Daarnaast komt het gemakkelijk neokolonialistisch te noemen overtoerisme aan de orde. Ofwel de massa’s die al kauwend en selfies nemend het werelderfgoed van de Borobudur betreden, omdat die nu eenmaal op hun bucketlist staat. Als een Indonesische variant op de ook al zo ontheiligde Camino naar Santiago de Compostela.

Riem schreef bijna een verhalenbundel in plaats van een roman, maar de onderlinge verwijzingen houden het poëtische mozaïek toch moeiteloos bijeen. Al meanderend door verschillende levens en locaties volgen we onder anderen kunstenares Ora, wier wajangpen commentaar levert op de argeloze pogingen van de jonge vrouw een stenen hoofd uit de boedel van haar koloniale voorfamilie ‘terug te brengen’.

Uiteindelijk spreken ook nog eens de boeddhahoofden zelf. Dat is een ‘magische’ literaire variant, waar je wel een bepaalde antenne voor moet hebben. Maar in een roman waarin tempels, boeddha’s en het land van de stille kracht zo’n prominente rol spelen, ook weer niet geheel onverdedigbaar. De hoofden blijken dan ware filosofen, die zelfs onze huidige tijd van kritisch commentaar kunnen voorzien, aangezien die niet wezenlijk verschilt met het menselijk gedrag in de oudheid.

André Keikes

Ineke Riem – Er was eens een stenen hoofd. Koppernik – Amsterdam. 184 blz. € 22,50.