Weet je wat het is, Mar?

‘Ik weet niet wat een ander ziet. Ik kan alleen voor mezelf spreken’, schrijft Marja Pruis in Zonnehuis, haar deeltje van de steeds omvangrijker wordende reeks intieme Terloops-boekjes van Van Oorschot. Het is kenmerkend voor Marja Pruis, dat ze niet wil snoeven of pralen. Dat is in dit deel van de reeks wandelboekjes niet anders.

Marja Pruis is een kind van de kleine luyden uit Tuindorp Oostzaan, waar iedereen die bij wijze van spreken een nette broek droeg al snel een kapsoneslijer was. Maar ook waar iedereen elkaar bijstond en misschien nog wel steeds staat. Zulke dingen krijg je er niet meer uit. Je kunt wel menen te zijn geklommen op de maatschappelijke ladder, maar toch, op de achtergrond blijft je verleden meespelen. Waarschijnlijk hebben alle oorspronkelijke Nederlanders tot de dag van vandaag nog wel iets van die calvinistische instelling om je hoofd vooral niet boven het maaiveld uit te steken.

In Zonnehuis wandelt Pruis, na jaren elders weer teruggekeerd in Amsterdam, specifieker Amsterdam-Noord, door de straten van haar jeugd in Tuindorp Oostzaan. Dat gaat, zoals bij ieder mens, al snel gepaard met gedachten over degenen die er niet meer zijn, maar op een of andere manier aanwezig bleven. De associatief denkende schrijfster die Pruis is, vertelt in dit Terloopsdeeltje aanvankelijk vooral een heen en weer springend verhaal over de mensen die haar na stonden, maar ook over het totaal veranderde stedelijk landschap, al staat het wat deprimerend ogende Zonnehuis er nog steeds overeind. Er is geen gezwoeg meer op vieze werven en in kleine winkeltjes, wat je nu overal ziet zijn hippe zaakjes vol hippige mensen die vermoedelijk weinig idee hebben van wat zich vroeger op die plaatsen heeft afgespeeld.

Je kunt het aan Pruis overlaten om daar een intrigerend mengsel van te maken, toegespitst op haar eigen jeugdjaren, haar ouders en niet in de laatste plaats haar nog niet zo lang geleden overleden zus, die hun beider geboortegrond nooit verliet en haar milieu evenmin. Bij het denken aan je ouders, doemt na verloop van tijd vanzelfsprekend ook je eigen veranderde rol op:

Toen mijn ouders nog leefden, was ik denk niet bijzonder in ze geïnteresseerd. Het is hetzelfde soort desinteresse dat ik voel bij mijn kinderen. Bij hen over hun ouders bedoel ik. Over mij

Waarmee ze het stille, maar onherroepelijke verglijden van de tijd en daarmee een zekere melancholie het boekje binnenbrengt. Zelfs nu haar kleinschalige, rauwe buurtje is veranderd in een gebied met veel ‘onduidelijke bebouwing met dito bestemming’.

Al snel hoort ze de stem van haar zus (‘Weet je wat het is, Mar’), alsof die met haar meeloopt. Gemakkelijk pratend, wars van aanstellerij, gewoon de zus van Mar. Pruis denkt ook aan haar als ze in haar nieuwe kringen dingen doet, waar haar zus niets van begreep of zou hebben begrepen:

Ik sprak met een vriendin af. Er is iets veranderd als ik die afspraken heb, etentjes, borrels, alles voelt opgeprikt omdat ik aan m’n zus moet denken, en omdat ik aan haar denk ervaar ik alles als vreemd. Er is altijd wel iets. Het soort eten dat te hoog gegrepen is, de gesprekken die onbegrijpelijk zijn, gezichten te dichtbij. Iedereen wordt een aansteller, m’n zus kijkt met me mee, ze kijkt me aan met die typische ongelovige blik van haar. Hier ga je toch niet in mee, zegt die blik. Dit zijn toch hele rare mensen?

De menselijke behoefte aan normaliseren, de drang om de dingen te laten zoals ze zijn, zodat alles gewoon doorgaat, voelt Pruis heel sterk in Tuindorp Oostzaan. En ook nog steeds in zichzelf. Want eerlijk is ze, altijd. Maar misschien is dat karakteristieke ‘gewoon doorgaan’ ook de verklaring, zo redeneert ze, waarom ze de ‘goede mensen’ nooit heeft gezegd hoeveel ze van ze hield. Het vormt in dit kleine boekje de opmaat naar een ontroerend slot.

André Keikes

Marja Pruis – Zonnehuis. Van Oorschot – Terloops – Amsterdam. 64 blz. € 13,50.