Een beschaver voor de klas

Je in een ander kunnen verplaatsen is een waardevolle eigenschap, zeker voor een onderwijzer. Die moet zich immers een beeld kunnen vormen van de sterkere en zwakkere kanten van een leerling voor er sprake kan zijn van kennisoverdracht. Jack de Boer is zich daar sterk van bewust, zo blijkt uit Ware aard, een tweede bundel essays over zijn veeleisende vak. In 2020 deed hij dat ook al met De gelukkigste klas, vrij naar Theo Thijssen, waarin hij een dagboek bijhield van een jaar onderwijzen.

Het ligt wel een beetje voor de hand om Jack de Boer, onderwijzer te Friesland, te vergelijken met Theo Thijssen, maar er zijn genoeg argumenten voor om dat toch te doen. Dat begint al bij het woord onderwijzer, steeds minder gebruikt in onze jaren, waarin menigeen liever docent genoemd wordt. Een kennisoverbrenger. Maar De Boer wil naast dat overbrengen van kennis méér zijn. Hij wil er ook zijn voor de kinderen, niet in de laatste plaats degenen die wat minder naadloos in een gangbare categorie passen of die wel wat hulp en steun kunnen gebruiken.

Maar dan moet je die kinderen, hun achtergronden, ouders, kleine voorgeschiedenis, mentale en fysieke gesteldheid wel kennen. Anders kom je nergens. Dus verdiept De Boer zich graag in kunst en literatuur, die iets annex hebben met zijn vak. Dat mag je beslist bevlogenheid noemen. Bevlogenheid en empathie voor de jonge mens à la Theo Thijssen.

Misschien dat zijn werken in Friesland, de provincie die op verschillende manieren een rol speelt in dit boek, daarbij ook van belang is. In het Noorden, waar wel sommige, maar beslist niet alle problematiek van de Randstad aanwezig is, kan een onderwijzer misschien nog net even dichter bij de Thijssen-benadering blijven dan in grootstedelijk Zuid-Holland.

De Boer begint zijn boek met aandacht voor ogen. Want die vertellen meer dan wat ook het verhaal van een mens, de ware aard uit de titel. En daar meteen al haalt hij Marina Abramovic’ beroemde performance The Artist Is Present uit 2010 in het MoMA in New York aan, waarbij de kunstenares bezoekers uitnodigde tegenover haar op een stoel aan een tafel plaats te nemen en haar diep in de ogen te kijken. Onbeweeglijk en zwijgend. De Boer is er nog van onder de indruk:

In iemands ogen kijken moet je maar durven.

Toch moet je als ‘meester’ in een klas ook durven. Veel zelfs. Al kijkend natuurlijk, want daar steek je heel wat van op. Zeker als je ook een lezer van literatuur bent, toneelvoorstellingen en kunsttentoonstellingen bezoekt en filmhuisfilms kijkt. Want die geven de verdieping, die je dagelijks nodig hebt. De Boer is niet van het halve werk. Hij kijkt en denkt, leest en praat, en associeert er ook nog eens op los. Vergelijkt mensen (en leerlingen!) om zich heen met personages uit films en boeken, om ze zo beter te leren begrijpen. In het boek drijft hij daardoor soms wel eens tamelijk ver weg van zijn thema.

Poe poe denk je geregeld, is het onderwijzersvak zo veeleisend? Tja, het is maar wat je er van maakt. Wie De Boer voor de klas krijgt heeft beslist niet veel te mopperen, hij is altijd bereid zijn eerder ingenomen standpunten te relativeren, zichzelf ernstig te bevragen, zijn eigen zekerheden zelfs overboord te gooien. Hij staat daarbij open voor onderzoeken, rapporten, cijfers en bevindingen van deskundigen.

Mooi is dat, denk je lang, maar anders dan in de tijd van Theo Thijssen, blijft er zo wel erg weinig ruimte meer over voor persoonlijke intuïtie, fingerspitzengefühl en levenservaring. Tenminste als je zo zwaar leunt op wat anderen hebben uitgevonden en je als onderwijzer jezelf steeds moet aanpassen en indekken om ‘correct’ te zijn en vooral niet ‘het verkeerde’ te doen. Dus dat wat algemeen geldend is verklaard. Het zou zo maar een grote bron van hedendaagse docentenstress kunnen zijn.

Er is natuurlijk al griezelig veel onderzocht in de moderne samenleving, ook over lesgeven op basisscholen. De Boer kent zijn klassieken en gaat daar graag op door. Onder meer over jongens onderling, meisjes onderling, jongens en meisjes onderling, wat (vecht)sporten ten goede en ten kwade kunnen aanrichten, over de vloek van ‘mooi zijn’ of dat willen zijn. In Ware aard gaat De Boer er, soms wel eens een beetje wijdlopig, steeds serieus op in. Hij moet hoe dan ook een heel ernstig man zijn. Begrijpelijk ook, want met jonge leerlingen moet je uiteraard voorzichtig zijn, maar lacht De Boer nog wel eens, vraag je je af, met die sterk psychologiserende benadering.

Wat uit dit boek echter vooral spreekt is diens blijvende gedrevenheid er achter te komen wat je moet doen om ‘een beschaver’ te zijn, een omschrijving waarin De Boer zich zelf goed zegt te kunnen vinden. ‘Gesandwicht tussen natuur en cultuur’ en altijd zoekend naar antwoorden op maat voor iedere leerling, die het uiteindelijk echter allemaal zelf moet doen.

André Keikes

Jack de Boer – Ware aard. De blik van een onderwijzer. Van Oorschot, Amsterdam. 288 blz. € 24,99.