Puberperikelen

In Zomerslaap, de debuutroman van Martijn Simons, is het vakantie. Het is snikheet. Het broertje van de hoofdpersoon brengt zijn dagen door in het zwembad in het dorp en vrijt met Anna. Zijn moeder laat zich intussen bruinbakken in de tuin. En de grootmoeder van de familie kwakkelt met haar gezondheid. De hoofdpersoon daarentegen weigert om verkoeling te zoeken in het zwembad. Hij zit uren op een bankje in het park en overdenkt zijn leven, vooral zijn tijd met Lisa, het meisje dat hij begeert. Zo kabbelt deze roman door als een lome zomermiddag en begint het verhaal zelfs langzaamaan te vervelen, totdat in de staart van de roman ineens door één zin de boel op scherp wordt gezet.

De roman van Simons begint met de zilveren bruiloft van de ouders van de ik-figuur, de hoofdpersoon in Zomerslaap. Het feest wordt in een molen in het dorp gevierd. Grote afwezige is de grootmoeder. De puberende ik-figuur mist haar en denkt vaak aan haar. Vroeger tenniste hij met zijn grootmoeder en Lisa, die hem lijkt te ontwijken. Ook dat is een gemis. Als de avond valt en er gedanst gaat worden op het feest van zijn ouders, schuifelt de ik-figuur met zijn moeder. Op dat moment schemert zijn liefde voor Lisa al door: ‘De hand van mijn moeder lag op mijn rug, ze zei iets tegen me, ik kon haar warme adem voelen. Ik verstond er niks van, de muziek was te luid. Ik draaide en zweefde zowat. En toen zei ik ’t hardop: ‘Lisa.’ En ik zei het nog een keer, met mijn ogen dicht, en voor één moment, heel even, dacht ik dat zij het was met wie ik danste.’ In deze scène komt overigens ook duidelijk het Oedipus-complex van de ik-figuur aan het licht, net als in andere scènes tussen hem en de moeder.

Na het eerste hoofdstuk, waarin het feest centraal staat, flitst de ik-figuur steeds van het heden naar het verleden en andersom. De lezer krijgt in de hoofdstukken die volgen meer duidelijkheid over de ik-figuur en zijn omgeving. Zo gaat hij na de zomervakantie studeren en zal hij naar de stad vertrekken. Ook wordt zijn relatie tot zijn broertje verder uitgewerkt en beschrijft hij zijn treinreis naar Parijs met Lisa. Al deze hoofdstukken gingen aan mij voorbij. Wat wil Simons precies vertellen? Waar wil hij naartoe? Als lezer werd ik nergens geraakt. Ook had ik niet de drang om echt door te lezen. Dat heeft met twee zaken te maken. Enerzijds is het verhaal niet spannend genoeg. Simons beschrijft scènes die niet verrassen, zoals een treinreis die de ik-figuur met zijn moeder en broertje maakt. Als ze uitstappen, blijkt dat de moeder haar tas in de trein is vergeten. Even veer je als lezer op. Nu gaat het gebeuren, denk je. Maar nee. De moeder weet haar tas nog net op te tijd uit de trein te pakken. Anderzijds is de stijl van Simons niet sprankelend genoeg. Nergens een mooie metafoor of een zin die je nogmaals wilt herlezen omdat deze je verrast of verwondert.

Tot hoofdstuk veertien. Er zijn nog twintig pagina’s te lezen. Dan, opeens, gebeurt er iets wat het verhaal meer diepgang geeft. Eerder in de roman zag de ik-figuur zijn moeder met Lisa praten. Onduidelijk is waarover ze spreken. In het hoofdstuk dat volgt, ontmoet de hoofdpersoon Lisa weer en speelt hij Mastermind met haar, zoals ze dat ook in Parijs deden. Dan volgt het volgende fragment:

‘Ze schudde haar hoofd, zat nog steeds met die pinnetjes in haar handen, liet ze van de ene in de andere gaan terwijl ze mijn blik ontweek en naar het bord keek, alsof daar iets heel belangrijks gebeurde. En ze bleef maar naar het bord kijken en ik zei niks, het duur de een eeuwigheid, ze haalde diep adem en zei toen ineens: ‘Mijn vader.’
Ze ging rechtop zitten en keek me aan. Ik maakte een vragend gebaar.
‘Mijn vader doet het met jouw moeder,’ zei ze.
Toen stak ze in één keer de juiste vier pinnetjes in het bord.’

Jammer is dat deze bekentenis van Lisa zo uit de lucht valt. Simons had veel meer met dit gegeven kunnen doen. Mooi is wel, dat nu veel zaken een andere betekenis krijgen in de roman. Je gaat bijvoorbeeld ineens nadenken over wat dit betekent voor de intense relatie tussen de ik-figuur en zijn moeder. En opeens begrijp je de volgende zin uit het eerste hoofdstuk: ‘We waren ermee begonnen toen Lisa’s moeder bij haar en haar vader was weggegaan.’ Ook de zilveren bruiloft in het begin van de roman krijgt nu heel andere lading. Zo lijkt de cirkel toch nog rond.

Bart Temme

Martijn Simons – Zomerslaap. De Bezige Bij, Amsterdam. 144 blz. € 16,90.

79