Lang voordat het ‘gebruikelijke usance’ (Kees van Kooten) werd om misdaadromannetjes te voorzien van het epitheton ‘literair’, gaf de 22-jarige Roobjee zijn wel degelijk literaire debuutroman De nachtschrijver (Uitgeversmaatschappij A. Manteau N.V., Brussel/Den Haag 1966) de ondertitel ‘een triller’. Prachtige taal bevat dit experimentele werk dat onmiskenbaar Vlaams is, en ronkend en snorkend van stijl. Regelmatig botsend met de syntaxis, en mede daardoor overtuigend en razend meeslepend.Deze ten onrechte vergeten roman begint aldus:

Toen dan alles overhoop was gehaald: ik had mijn vrouw tamelijk liefgehad maar ze stierf niet toen ik tweeëntwintig was geworden en er in mijn lijf een woede opkwam dat ik zekere dag de wagen uit rende en mijn leven begon van in mezelf een apart partituur te scheppen. Herhaaldelijk zwierf ik aan de haven, kocht me dingen die ik me nu niet meer herinneren kan, onnuttige zaken waren het, dat zal wel.

Tweeëntwintig en ik kende vage figuren, zowel mezelf, Leo Wolf als Hanco Souviev. Ik liep met vlagen sloppen door, zat in kamers ineengedoken en ik kan me nu voor de geest halen hoe ik soms tot vijf uur ’s morgens verdronk en hoe Dine voor me emmers thee stelde en hoe ik me uitstalde voor al deze magiërs, heiligen en telephatisten: op de grond op zeildoek, en hoe er dan die speciale atmosfeer ontstond die niet te beschrijven valt en die ieders verbeelding wel moet tarten. En hoe iedere avond in de nacht voortgezet wel weer een miskraam werd, er werd wel hard genoeg gesproken, en zo gleden gedachten die me nu treffen en hoe ik bang Emily bekeek, alsof ze me nog kon ontglippen na een nacht van liefde en na wat ik in haar schoot had teweeggebracht. En denkend reeds aan wat ik er nog in beroeren kon na die eerste slachting. Want de kwestie zat zo tussen ons, dat ik, onhandig en slinks stinkend, me meer had laten gaan dan wel goed voor me was. En als het later beter ging dit niet aan mij te wijten was maar aan haar. Maar toen was ik niet ouder dan achttien en woonde alleen en noemde Sam me de heilige en beperkte me tot een schuchter deelnemen aan het gesprek bij Hanco thuis, in zijn popkamer met het oranje geverfde stuk muur boven het bed, om het zuiver seksgepromoveerde van die daad, en de vergulde pijlers boven de bank vol bestrooide boeken en notities, om het zuiver barokke gekultiveerde van de hand, die, door dit te doen, een daad werd van leven, een amulet.

[pp. 11-12]

In hetzelfde jaar dat het eerste boek van Roobjee werd uitgegeven, verscheen ook de eersteling van Rinus Ferdinandusse – Naakt over de schutting (N.V. De Arbeiderspers, Amsterdam 1966); dit debuut werd ondertiteld ‘’n soort sriller’ – blijkbaar was in deze periode waarin de verbeelding zich opmaakte voor een greep naar de macht de tijd rijp voor het spelen met de genre-aanduiding. (Ferdinandusse hield het trouwens niet bij één keer: de flaptekst van zijn tweede roman – Zij droeg die nacht een paars corset. Verdere avonturen van Rutger Maria Lemming (N.V. De Arbeiderspers, Amsterdam 1967) – begint aldus:

Rinus Ferdinandusse schreef een 2de ‘sriller’, spelend in het happenende, chaotische Amsterdam van 1966.

, terwijl zijn derde boek De brede rug van de Nederlandse Maagd (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1968) in plaats van met het simpele ‘roman’ op de titelpagina wordt gekwalificeerd als ‘een politiek-romantische sriller onder het motto: ‘Wassenaar de meisjes zijn’’.)

Veel mensen zullen de boeken van Ferdinandusse te melig vinden, maar ik – gek op flauwiteiten – zit tijdens het lezen aan één stuk door te gniffelen. Voorbeeldje uit Naakt over de schutting:

Ik had nog zoveel slaap dat ik na de derde whisky bijna omviel. Na de vierde viel ik om. De vijfde dronk ik liggend.

[p. 64]

Ruim tien jaar later, dus lang voor de misgeboorte van de ‘literaire thriller’, werd in de boekhandels te koop aangeboden Jaap van de Merwe – Daar komen de wijven (Uitgeverij Corrie Zeelen, Maasbree 1979), een zwaar op de Lemmingboeken van Ferdinandusse leunend pretentieloos werkje dat ‘Triller uit warm Amsterdam’ meekreeg als ondertitel. Dat ik dit boekje hier noem is niet alleen omdat het in het verlengde kan worden gezien van de pornografische slapstick van Rinus Ferdinandusse – tot de verbastering van thriller in de ondertitel aan toe – maar ook omdat er in deze roman sprake is van literaire spelletjes waar ik dol op ben, spelletjes die in de huidige literatuur eigenlijk alleen door Herman Brusselmans veelvuldig worden gespeeld (het zijn die spelletjes waardoor – waarvoor – ik mij nog altijd naar de boekhandel spoed wanneer er een nieuwe roman van Brusselmans verschijnt, hoezeer ik mij ook erger aan de en het in al zijn boeken opduikende homofobie en racisme; in het kader van dit stukje is het wel aardig om te vermelden dat Brusselmans’ meest recente literaire werk, de roman Zeik (Prometheus, Amsterdam 2014), als ondertitel meekreeg: ‘literaire thriller’ – deze ondertitel is trouwens geen officiële: hij staat afgedrukt op het voorplat maar ontbreekt op de titelpagina).

Goed, Herman Brusselmans avant la lettre in Daar komen de wijven van Jaap van de Merwe:

Met een simboliese supsidie van de Liberale Staatspartij, vertelde Olijboer me, wilde de PLUKZA gaarne een waardig boek laten schrijven, de levensgeschiedenis van hun helaas al te vroeg overleden meester W.S.P. Nougat, mij waarschijnlijk wel bij name bekend. En de keus voor de beschrijver van dit errug leuke, boeiende menseleven had men op mij laten vallen, hanteerder van een welversneden pen als ik was. Bovendien had ik sinds kort blijk gegeven van meer dan gewone belangstelling voor de persoon van de overledene, en dat was de heren niet ontgaan. Errug leuk!

Ik zal wel dom hebben gekeken. Hoe kwamen ze op mij, nogal berucht in hun kringen als eigenzinnige radikale auteur?

‘Schrikt u niet, meneer Stompetoorn!’ riep Hobbel guitig lachend en hij bood me een ruimgesorteerd kaasplankje aan, ‘wij verschaffen u alle gegevens.’

‘Althans voor zoover zij dienstig zijn tot eene biographie, onzen beminnelijken vriend meester Nougat waardig!’ voegde Te Senyel eraan toe, maar hij is dan ook als rechtskundige afgestudeerd, kort voor de Eerste Wereldoorlog en spreekt spelling De Vries & Te Winkel (1865). Ik mocht een cigaar van hem opsteken.

[pp. 72-73]

(Herman Brusselmans in Zeik:

[‘]Je weet toch dat ik gek ben op vliegtuigen? Dat ik een fortuin zou overhebben om eens in een Messerschmidt te vliegen?’

‘Rot toch op met je Messerschmitt,’ zei Valeria, ‘je kunt dat woord niet eens spellen.[’]

[p.121])

Ook fijn spel bij Van de Merwe (op. cit. pagina 81):

Ik draaide een fraai blank vel in de tijprijter en tikte: (Zie bladzij 5 en volgende).

Dit alles naar aanleiding van het lezen van Martin de Jong – Literaire giller ([De Nieuwe Boekhandel], [Amsterdam] 2014). En te zien als voorafje bij mijn bespreking, later deze week, van die roman.

Karel ten Haaf