Scheppen zonder echo

De Duitse kunstenaar Felix Nussbaum (1904-1944) werd in Auschwitz vermoord. Daarna zou het zo’n veertig jaar duren voor zijn huiveringwekkende kunst opnieuw werd ontdekt. Een groot deel daarvan is nu te zien in zijn geboorteplaats Osnabrück, in een museum dat speciaal werd ontworpen door Daniël Libeskind. Het is niet ongebruikelijk dat de reputatie van een kunstenaar stijgt en daalt, maar lange tijd leek het er op dat Nussbaum en zijn werk compleet door Hitler uitgegomd waren. In Orgelman reconstrueert Mark Schaevers niet alleen het leven van Nussbaum, hij beschrijft ook hoe de wederopstanding van de kunstenaar in zijn werk ging. Schaevers baseert zich hierbij op het werk van zijn (Duitse) voorgangers, maar hij voegt zelf een groot aantal puzzelstukjes toe. Nussbaum en zijn vrouw Felka zijn het soort ballingen waarover Schaevers ook al schreef in zijn boek Oostende, de zomer van 1936 (2001).

Nussbaum verblijft in Rome als Hitler in 1933 aan de macht komt. Zijn kunst, het jaar daarvoor nog bekroond, wordt voortaan als entartet gezien en als Jood voelt hij zich niet meer veilig in Duitsland. Via tussenhaltes in Italië en Frankrijk komt hij in België terecht, eerst in Oostende en naderhand in Brussel. Dit rusteloze emigrantenleven, waarbij Nussbaum altijd afhankelijk is van de gunsten en grillen van de autoriteiten, beschrijft Schaevers zeer indringend. Hij citeert uit de dossiers van de Belgische vreemdelingenpolitie, waar de pasfoto’s van de schilder en zijn vrouw – en ook hun vingerafdrukken – nog steeds te vinden zijn.

In de loop van mei informeert de Staatsveiligheid her en der of het gedrag van het stel onbesproken is. Het dossier bevat antwoorden van de politie van Osnabrück en Parijs en van de Staatsveiligheid in Rome – ‘Buona condotta’: geen probleem.

Opmaak 1In België lukt het Nussbaum een redelijk bestaan op te bouwen: zijn werk verkoopt goed. Ondertussen houdt hij de ontwikkelingen in Duitsland, waar zijn familie nog steeds woont, angstvallig in de gaten. Het behoort tot de bizarre wendingen van het lot, dat de Joodse Nussbaum na de Duitse oorlogsverklaring van 1940 door de Belgen wordt opgepakt – omdat hij ook een Duitser is – en naar een kamp in Frankrijk wordt afgevoerd. Als de Duitsers ook daar heer en meester zijn worden de gevangenen vrijgelaten – met uitzondering van de Joden. Het lukt Nussbaum echter om te ontsnappen en terug te keren naar Brussel. Daar begint een steeds angstiger tijd, waarbij het net zich steeds verder rond de Joden sluit. Die constante dreiging is terug te vinden in het werk dat Nussbaum maakt. ‘Elk doek is goed,’ schrijft Schaevers, ‘het oorlogsgevaar focust zijn werk.’ Deze schilderingen zijn navrant, angstaanjagend, maar vaak ook fascinerend en van een grote schoonheid. Nussbaum schildert ze in het verborgene, maar een enkeling krijgt ze te zien. Hoogtepunt is een zelfportret waarop Nussbaum de Jodenster op zijn jas draagt en een identiteitskaart vasthoudt met daarop in rood de woorden Juif-Jood. Zijn blik is bijna uitdagend. Hij staat in dit schilderij tegen een troosteloze muur, waarboven echter enkele takken van een bloeiende vruchtboom te zien zijn. Vier jaar lang weten Nussbaum en zijn vrouw – met hulp van vrienden – uit handen van de Duitsers te blijven. Tot ze in het voorjaar van 1944 verraden en opgepakt worden. Nog een bizarre toevalligheid van het lot: hun trein is de laatste die uit België naar Auschwitz vertrekt – een maand later wordt België bevrijd.

Schaevers heeft niet een conventionele biografie geschreven, maar Orgelman geconstrueerd in de vorm van een zoektocht. Hij volgt Nussbaum op de voet, geeft de informatie die hij heeft kunnen vinden (vaak betreffen dit getuigenissen van derden, maar een enkele brief is teruggevonden) en probeert op die manier dichter bij de kunstenaar te komen. Soms gaat het maar om kleine dingen, zoals de trouwakte van Felix en Felka, die Schaevers echter een grote zeggingskracht weet te geven.

Schaevers reist Nussbaum ook letterlijk achterna om aanvullende informatie te kunnen vinden. Hij rapporteert hierover altijd zakelijk en valt de lezer niet lastig met zijn eigen persoonlijke wederwaardigheden. Hij blijft trouwens altijd dicht bij de feiten, waagt zich nauwelijks aan speculaties en is ook zeer prudent als het om psychologische interpretaties gaat. Over de relatie van Nussbaum met zijn vrouw bijvoorbeeld, waarover niet veel bekend is, geeft hij alleen de gegevens die hij heeft kunnen traceren. Naast zijn enorme kennis is het zijn vermogen om met minimale middelen een voorbije wereld op te roepen, die Orgelman tot een meesterwerk maakt. Doordat Schaevers tegelijkertijd ook een zekere distantie weet te creëren, geeft hij de lezer alle ruimte zijn eigen conclusies te trekken. Hierdoor ontstaat juist, op miraculeuze wijze, een enorme betrokkenheid bij het onderwerp van het boek.

Bij elke stap die Nussbaum zet, voegt Schaevers informatie toe over het werk dat de schilder maakt, zodat we ook de ontwikkeling van de kunstenaar kunnen volgen. Hierbij onthoudt de schrijver zich van kunsthistorisch jargon, hij gebruikt het werk vooral om de biografie in te kleuren.

Wat vraagt Felix Nussbaum met deze zelfportretten? Empathie? Eerder dan dat hij de toeschouwer iets vraagt, ondervraagt Nussbaum zichzelf. Hij bespiedt zijn extreme stemmingswisselingen, hoe hij laveert tussen vertwijfeling, verbijstering, zelfvertrouwen, zelfspot, melancholie, zelfbewuste rebellie, wanhoop, distantiërende berusting en een restant van kinderlijke vrolijkheid.

Frequent heeft Nussbaum zichzelf als een orgelman verbeeld. In de manier waarop Schaevers dit verklaart is zijn terughoudendheid als biograaf terug te vinden.

Waarom altijd weer die orgelman? Hij kan staan voor de melancholie die een draaiorgel met zijn eeuwig herhaalde deuntjes al gauw opwekt. Hij doet ook denken aan een wandelende jood, zoals Nussbaum zelf er een is. Of is de orgelman vooral de kunstenaar op zoek naar een echo in een tijd waarin die zo moeilijk te vinden is?

Het heeft niet veel gescheeld of de kunstwerken van Nussbaum waren weggerot in enkele Brusselse souterrains. De mensen aan wie hij zijn werk heeft toevertrouwd halen het pas vele jaren na de oorlog weer tevoorschijn. Niemand eiste zijn werk ook op, alle naaste familieleden van Nussbaum en zijn vrouw waren vermoord. Pas als in de jaren zeventig in Duitsland zijn werk nieuwe waardering vindt, komt het in verrassend grote aantallen boven water. Bijna vijfhonderd werken telt zijn oeuvre, dat wordt beschreven in de Felix Nussbaum Werkverzeichnis van het museum in Osnabrück.

Schaevers beschrijft het ‘naoorlogse’ leven van Nussbaum, waarbij oprechte waardering en geldbelustheid hand in hand gaan, niet als een triomftocht maar ook weer met melancholieke distantie. Hij vertelt over de man die pas na de dreiging van een proces het werk aan de verre erfgenamen teruggeeft en over de man die er veel geld voor weet te krijgen. Zo groot is de roem van Nussbaum inmiddels, dat er al vervalsingen opduiken.

Ook over het leven van Nussbaum duiken nog weer nieuwe feiten op. Steeds werd aangenomen dat Nussbaum en zijn vrouw bij aankomst in Auschwitz direct waren vermoord. Uit een kortgeleden opgedoken document (Schaevers had zijn boek al bijna voltooid) kan echter een andere conclusie worden getrokken, namelijk dat Nussbaum na aankomst tewerkgesteld is en nog een aantal maanden heeft geleefd. Dat hij ook nog eens de verschrikkingen van een concentratiekamp heeft moeten ondergaan voegt nog een laatste afschuwelijk detail toe aan deze bewogen levensgeschiedenis.

Schaevers eindigt zijn fascinerende boek in één van de zalen van het Museum Felix Nussbaum Haus in Osnabrück. Hij beschrijft nog eens het schilderij Triomf van de dood, het laatste werk dat Nussbaum heeft voltooid. Op dit schilderij is een klein stukje van een partituur te zien en het is een suppoost die de noten heeft weten te ontcijferen. Afgebeeld is het refrein van het ooit zeer populaire liedje ‘The Lambeth Walk’, dat eindigt met de krachtige uitroep ‘Oi!’.

Zo stel ik het me voor: terwijl hij heel geconcentreerd de grijns van de musicerende geraamten op zijn laatste doek neerzet en vervolgens daar onderdaan tussen het beschavingspuin uitgerekend deze noten laat slingeren, moet hij soms even grinniken omdat dat vette lebensbejahende ‘Oi!’ uit het refrein niet uit zijn oor wil.

Doeke Sijens

Mark Schaevers – Orgelman. Felix Nussbaum. Een schildersleven. De Bezig Bij, Amsterdam € 39,90.

0

Reacties