Een unieke vondst

In het boek Vida, een romance uit 1966 van de Amerikaans schrijver Richard Brautigan wordt een bibliotheek van afgewezen boeken opgevoerd, er zijn alleen boeken in opgenomen die uitgeverijen niet wilden uitgeven. Een bevlogen lezer heeft daadwerkelijk een dergelijke bibliotheek opgericht en de site www.thebrautiganlibrary.org bestaat dan ook echt. Dit is het uitgangspunt voor de recentste roman van David Foenkinos die met zijn vorige boek Charlotte grote indruk maakte: een roman in dichtvorm over de Duitse kunstenares Charlotte Salomon. Het geheime leven van Henri Pick, vertaald door Carlin Brouwer, is in tegenstelling tot Charlotte alleen maar fictie, maar dan wel met als basis een historisch feit: het gegeven van een bibliotheek met onuitgegeven manuscripten.

In Crozon, op het uiterste puntje van Bretagne, begint een wat stille en teruggetrokken Jean-Pierre Gourvec een vergelijkbare collectie van afgewezen boeken, achterin de bestaande stadsbibliotheek. Alleen als schrijvers het manuscript zelf komen afleveren, neemt hij het op. Per post of e-mail wordt niets geaccepteerd. Een redactrice van het uitgevershuis Grasset is een van de hoofdpersonen in het verhaal. Ze krijgt een relatie met een van de schrijvers die ze heeft ‘ontdekt’ en ondanks dat zijn debuut niet echt goed ontvangen wordt, blijft hij gestaag doorwerken aan een tweede roman. Dit in de schaduw van een grote ontdekking die zij samen in haar geboortestadje hebben gedaan: in de bibliotheek van afgewezen boeken hebben ze op een lome vakantiedag allerlei manuscripten zitten doorspitten en ze ontdekten een meesterstuk: De laatste uren van een liefdesgeschiedenis. De redactrice is zo enthousiast dat ze het wil uitgeven. En meer nog dan het boek zelf, blijkt dat het verhaal achter het boek op enorme belangstelling kan rekenen. De schrijver, ene Henri Pick, een eenvoudige pizzabakker, is twee jaar geleden overleden en zijn vrouw en hun dochter zijn zeer verbaasd dat Henri tot zoiets in staat is geweest, hij las nauwelijks en schrijven deed hij nog minder. Zijn vrouw suggereert dat hij dan ’s morgens, voor het bereiden van de pizza’s, aan het boek moet hebben gewerkt. Ze stemt in met uitgave en tekent een contract. Het wordt binnen de kortste keren een enorm succes.
Dat de verschijning van De laatste uren van een liefdesgeschiedenis veel impact op haar en haar dochter heeft, is logisch, journalisten komen in het leven van haar en haar overleden man wroeten, en de dochter laat zich maar al te graag interviewen, blij met de aandacht die ze in haar redelijk saaie leventje ineens krijgt.

Maar ook anderen krijgen te maken met wendingen in hun leven die te danken of te wijten zijn aan de verschijning van de bestseller. Foenkinos kruipt in de hoofden van een aantal personages die direct of indirect met het boek te maken hebben: een vertegenwoordiger in het oosten van Frankrijk die het boek moet slijten in de boekwinkels; de bibliothecaresse die het bewaren van de afgewezen boeken na de dood van oprichter Gourvec heeft voortgezet; een kritische journalist die zo zijn twijfels heeft bij de link die gelegd wordt tussen het meesterwerk en de pizzabakker. Is hij werkelijk de schrijver?

Het verhaal dat Foenkinos vertelt is niet heel diepgaand en presenteert meer een aantal algemene ideeën over de relatie tussen media en succes, zoals hoezeer de vorm het tegenwoordig van de inhoud heeft gewonnen. Niet wat er gepresenteerd wordt is van belang, maar hoe en in welke context, alleen kwaliteit is niet meer voldoende om aandacht te krijgen.
Het verhaal is vooral spannend, ook omdat het van verschillende kanten verteld wordt; de lezer wil weten hoe het afloopt met de dochter van Henri Pick, die door het verschijnen van het boek weer contact heeft met haar ex, of met de kritische journalist die onhandig aan de slag gaat met zijn twijfels. De stijl is luchtig, mede door de grappige voetnoten waarin Foenkinos soms vooruitloopt op de zaken of ironisch commentaar geeft op een gebeurtenis, zoals een echte alwetende verteller graag doet. Ook zitten er in het boek verwijzingen in naar bestaande boeken en schrijvers, wat een leuke extra dimensie aan het verhaal geeft, bijvoorbeeld wanneer men twijfelt over wie het meesterwerk geschreven kan hebben.

Schrijver Frédéric Beigbeder greep de gelegenheid aan om een stuk ter schrijven met de titel ‘Pick, dan ben ik!’ De roman was immers bij zijn uitgever verschenen. […] Een paar dagen zaten alle journalisten achter hem aan en hij maakte daar handig gebruik van door iedereen te vertellen over zijn nieuwe roman die binnenkort uitkwamen.

Dit is tevens een mooi voorbeeld dat een vertaling voordelen kan hebben : treffender kan het niet rijmen. En dat een schrijver een boek claimt waarvan de auteur anoniem is of wenst te blijven, gebeurt in Nederland ook. Herkenbaar dus. Net als de ideeën over de berg aan boeken die verschijnt, het feit dat er bijna meer schrijvers zijn dan lezers, de ons-kent-ons mentaliteit op televisie en in de geschreven pers. Het lijken open deuren, maar het is niet verkeerd daar weer even bij stil te staan, zoals ook bij de uitspraak over lezers:

Lezers herkennen altijd wel iets van zichzelf in een boek. Lezen is volledig egocentrisch. Onbewust zoeken we naar datgene wat ons aanspreekt. Een auteur kan nog zo’n absurd of ongeloofwaardig verhaal schrijven, er zullen altijd lezers zijn die zeggen: ‘Ik kan het niet geloven, het is mijn leven dat hier beschreven staat.’

En misschien is Het geheime leven van Henri Pick  wel absurd of ongeloofwaardig, maar er zitten ongetwijfeld herkenbare elementen en verhaallijntjes in. Welke dat zijn, verschilt natuurlijk per lezer en maakt daarmee misschien wel deel uit van ieders eigen ‘geheime’ leven.

Arjen van Meijgaard

David Foenkinos – Het geheime leven van Henri Pick. Vertaald door Carlin Brouwer. Cossee, Amsterdam. 252 blz. € 19,99.