Mug of olifant

Beste aanwezigen,

Ergens half maart ging bij mij thuis in Bourgogne de telefoon. Meestal is dat reclame voor beleggingsproducten of verwarmingsketels, dus ik zette me al in de snelle-afweermodus, maar nee, het was Jeroen Thijssen van de Auteursbond, die belde namens de aanhangende Dr. Elly Jaffé Stichting. Mijn hart sloeg over, want dat kon maar één ding betekenen: dat ik de gelijknamige vertaalprijs had gewonnen! De winnaar wordt namelijk altijd half maart bekendgemaakt, en ik wist dat 2018 een Jafféjaar was. ‘Hartelijk gefeliciteerd!’ zei Jeroen. ‘Je bent genomineerd voor de Elly Jaffé Prijs – wat natuurlijk niet meteen betekent dat je hem ook wint.’ Er was namelijk voor het eerst een shortlist. Ik schrok, want de dag ervoor had ik ook al gehoord dat ik op de shortlist van de Filter Vertaalprijs stond. En die twee jury’s zouden vast niet het risico willen lopen dat één persoon beide prijzen kreeg: ergo, exit Martin de Haan en Kiki Coumans (die net als ik dubbel genomineerd was).

‘Daar zat de grote man dan en sloeg zijn jonge katjes gade,’ schrijft de Duitse natuurkundige Georg Lichtenberg, een tijdgenoot van Choderlos de Laclos, in een van zijn befaamde Sudelbücher, kliederboeken, met zijn kenmerkende ironie. Mijn jonge katjes, Mila en Lina genaamd, kunnen getuigen dat ik me wekenlang behoorlijk labiel voelde door de dubbele nominatie, maar uiteindelijk kon ik het van me af laten glijden. ‘Hoe minder je weet wat de wereld van je denkt, hoe beter,’ zegt dezelfde Lichtenberg, en ik besloot dus gewoon te doen alsof er niets aan de hand was. Niet weten of je hebt gewonnen kan trouwens ook zo zijn voordeel hebben, want ik herinner me nog goed hoe mijn vertaalkompaan Rokus Hofstede bij mij in de tuin zat te ploeteren op zijn Dankwoord-met-een-grote-D toen hij in 2005 de Jafféprijs had gekregen. Dat tafereel heeft zeker ook een rol gespeeld in mijn plechtige voornemen uit datzelfde jaar om lezingen nooit meer op papier voor te bereiden: liever afgaan voor een volle zaal dan het publiek en mezelf vervelen met iets voorgekauwds. Dat ik dat voor het eerst sinds 2005 nu toch doe, is uit respect voor de eerbiedwaardige traditie van het genoemde Dankwoord-met-een-grote-D; met als verschil dat zo’n dankwoord gewoon een leuke schrijfoefening wordt als het doel puur hypothetisch is. En je kunt het altijd recycleren bij een volgende gelegenheid. (Tenminste, dat dacht ik toen ik dit schreef.)

Maar serieus nu. ‘Een boek is een spiegel: als er een aap in kijkt, kan er geen apostel terugkijken.’ Dat zegt, u raadt het al, Lichtenberg ergens in zijn kliederboeken. Ik heb me ooit in zijn aforismen verdiept voor de maximenwebsite die ik met Rokus onderhield, en ik stuitte er laatst weer op. Nog zo een: ‘Als een boek en een hoofd in botsing komen en het klinkt hol, komt dat dan alleen door het boek?’ Wees niet bang, ik citeer die twee aforismen niet om kritiek te leveren op de jury. Ik zou zelf als jurylid heel waarschijnlijk tot dezelfde shortlist zijn gekomen: dit zijn allemaal prachtige vertalingen van uitstekende vertalers. Maar er moet er één winnen, en die keus wordt bepaald door het geluid dat de botsing van een jury en boek voortbrengt; met mevrouw Jaffé zelf in de jury zou ik waarschijnlijk geen schijn van kans hebben gemaakt, want het enige gesprekje dat ik ooit met haar voerde (als bestuurslid van haar net opgerichte stichting) was snel afgelopen toen ik vertelde dat ik Houellebecq vertaalde. ‘Dat is geen schrijver!’ riep ze uit. Kortom, ik prijs me vandaag heel erg gelukkig dat de keus nu op mij is gevallen, al is het maar om daar nooit meer op te hoeven hopen, met de bijbehorende stress. Maar een andere jury had een andere keus kunnen maken, en de tijd van mijn medegenomineerden komt volgens mij nog wel.

‘Een vreemdere koopwaar dan boeken bestaat er in de wereld waarschijnlijk niet. Gedrukt door mensen die ze niet begrijpen; verkocht door mensen die ze niet begrijpen; gebonden, gerecenseerd en gelezen door mensen die ze niet begrijpen; en dan ook nog geschreven door mensen die ze niet begrijpen.’ Zegt Lichtenberg, positief als altijd. Maar wij als ingewijden zien natuurlijk meteen dat hij iemand vergeet, iemand die wel vaker wordt vergeten: de vertaler. Over de vraag of vertalers de boeken die ze vertalen wel begrijpen en correct weergeven, valt van alles te zeggen (niets is zo makkelijk als vertaalfouten opsommen), maar misschien moeten we het anders benaderen en vertalers niet als al dan niet goed functionerende kopieermachines zien, of zoals het clichébeeld luidt, als veerlieden die een tekst idealiter zonder enig verlies over de rivier tussen twee talen en culturen zetten, maar als echte literatoren, gens de plume zeggen de Fransen mooi. Dat zijn óók veerlieden, maar met een ander soort veer.

Wie mij door de jaren heen een beetje gevolgd heeft, weet wel hoeveel belang ik hecht aan het idee van de vertaler als auteur van een nieuwe tekst. En daar sta ik gelukkig niet alleen in, want boekvertalingen worden onder de Berner Conventie sinds jaar en dag auteursrechtelijk beschermd als oorspronkelijke werken. Alleen – en nu zitten we echt midden in het ronkende Dankwoord-met-een-grote-D – veel mensen vergeten dat liever. Een kopieermachine is een stuk makkelijker in de omgang dan een auteur, hij is vervangbaar, zeurt niet om geld en wil zijn naam niet op elke gemaakte kopie zien staan. De lezer geeft hij gewoon wat hij wil, namelijk een boek van een buitenlandse schrijver (met hooguit wat kwaliteitsverlies), de recensent een object zonder lastig te beoordelen dubbele identiteit – allemaal precies wat we nodig hebben voor het mooie sprookje van vertalingen als brug tussen culturen: het enige wat we hoeven te doen is de tekst verplaatsen van A naar B, en de wereldvrede kan beginnen.

Maar ik wou dit verhaal graag positief houden. ‘Ik weet dat heel veel recensenten de boeken die ze zo voorbeeldig recenseren niet lezen, maar ik zie toch niet wat voor kwaad erin schuilt om het boek dat je wilt recenseren wél te lezen.’ Dat is Lichtenberg natuurlijk weer. En misschien moeten we daar gewoon eens een aansporing in zien: als we nu eens zouden proberen vertalingen echt te lezen, als vertalingen? Niet in de zin van foutjes turven, zoals wijlen Michaël Zeeman bijvoorbeeld graag deed, en ook niet in de zin van meten hoe soepel de vertaling ook na tien leesbeurten blijft of hoe snel en comfortabel de leestrein rijdt. Vertalingen lezen als vertalingen, dat houdt in: beseffen dat de tekst tijdens zijn verplaatsing over de brug of met de veerpont van A naar B onherroepelijk een transformatie heeft ondergaan, en proberen die transformatie in kaart te brengen. Of je het nu wilt of niet, je leest Echenoz maar óók De Haan, Colette maar óók Coumans, Martin du Gard maar óók Alderlieste, Binet maar óók Van Nes. Soms heeft een schrijver een vaste vertaler, en dat maakt het alleen nog maar interessanter: in hoeverre is het beeld dat we van de schrijver hebben, bepaald door de mee- of herschrijver?

Ik droom van – en vecht voor – een lees-, schrijf- en uitgeefcultuur waarin vertalingen en vertalers voor vol worden aangezien. Niet omdat ik mezelf en mijn werk zo belangrijk vind, maar omdat ik denk dat het een win-winsituatie is, om die vreselijke term maar eens te gebruiken. Culturele waardering en kwaliteit zijn twee kanten van dezelfde medaille, ze stuwen elkaar op (mits geholpen door een redelijke financiële waardering, waar het heel veel vertalers van met name non-fictie en niet-literaire fictie helaas nog aan ontbreekt). Vandaar ook dat zichtbaarheid, professionaliteit en beroepstrots van vertalers zo belangrijk zijn. ‘De ezel komt mij voor als een in het Nederlands vertaald paard,’ zegt onze vriend Lichtenberg, en we zouden de moed moeten hebben om daar een driedubbele miskenning in te zien: van de ezel, van het Nederlands, maar vooral ook van het vertalen. Als wij vertalers willen, maken we van dat paard zo nodig een mug, of een olifant!

Daarom ben ik ook zo blij met het bestaan van deze grote vertaalprijs voor deze relatief kleine groep mensen. Ik meen me uit de tijd van de oprichting te herinneren dat mevrouw Jaffé aanvankelijk een jaarlijkse prijs van € 100.000 voor ogen stond. Het is goed dat dat niet doorging (al was het maar omdat het geld nu dan op was geweest), maar in de huidige vorm doet de prijs volgens mij precies wat hij beoogt: een bijzondere vertaling uit het Frans in de schijnwerpers zetten als een belangrijk cultureel feit. Ondanks haar standrechtelijke executie van de grootste Franse schrijver van onze tijd wil ik mevrouw Jaffé dus postuum bedanken én prijzen voor deze edelmoedige besteding van haar vermogen.

Mijn dank gaat uiteraard ook uit naar de jury voor het zeker niet holle geluid dat ze heeft voortgebracht in de botsing met mijn werk. Deze drie Jafféjaren vormden toevallig of niet toevallig de meest productieve periode die ik in ruim twintig jaar professioneel vertalen heb gekend, met vertalingen van Houellebecq, Echenoz, Kundera, Vauvenargues, Choderlos de Laclos en tweemaal Simenon, plus een eigen essaybundel, een toneelstuk van Joël Pommerat voor het Nationaal Toneel en niet te vergeten de twee vuistdikke romans van Proust en Jauffret die ik samen met Rokus heb vertaald – elf boeken dus, al ging het deels ook om projecten waar ik al veel langer mee bezig was. De keerzijde van die marathon, over liever gezegd hendecathlon, was wel dat ik na het afmaken van Laclos eind vorig jaar (met een jaar vertraging omdat ik mijn aanpak halverwege radicaal heb omgegooid) maandenlang tot maar weinig in staat was. Die fase heb ik inmiddels gelukkig achter me kunnen laten, maar ik ben er niet minder blij om dat deze prachtige jury me juist nu heeft bekroond. Ik zie mezelf eerlijk gezegd niet nog eens zo’n elfkamp voltooien.

Er zijn nog veel meer mensen en instanties die ik zou willen bedanken, ik hou het kort: het Nederlands Letterenfonds voor de werkbeurzen die ik door de jaren heen heb mogen ontvangen, en die voor mij letterlijk het verschil maken tussen vertalen en niet vertalen. Rokus, voor alles wat we samen hebben kunnen doen, van vlierbessen plukken tot libertijnse pareltjes in het Nederlands omzetten. Annoesjka en mijn vader, omdat jullie er zijn, en niet alleen hier op dit moment. En last but not least: Peter Nijssen, de uitgever die twintig jaar geleden het opmerkelijke idee had om het Franse boek dat hij met grote moeite en een flinke zak geld in de wacht had gesleept, Les Particules élémentaires van een zekere Michel Houellebecq, toe te vertrouwen aan een vrijwel onbekende jonge vertaler. Dat vertrouwen is altijd gebleven, wederzijds. Ik vind het een groot voorrecht om te mogen werken met iemand die zo betrokken en rechtdoorzee is als jij, Peter.

Tot slot nog één citaat van Lichtenberg: ‘Een graf is nog altijd de beste verschansing tegen de stormen van het lot,’ zegt hij. Maar de Dr. Elly Jaffé Prijs is een goede tweede, voeg ik daaraan toe. Ik dank u allen voor uw aandacht.

Martin de Haan

0

Reacties