Alleen linkse politici mogen gedichten citeren

Toen Donald Trump op verkiezingstournee was liet hij Born in the USA horen van Bruce Springsteen. Niet zozeer vanwege de songtekst, alleen maar vanwege het refrein. Trump wilde duidelijk maken dat hij een echte Amerikaan was, in tegenstelling tot Ted Cruz die in Canada geboren was en in tegenstelling tot Barack Obama van wie de ‘birthers’ aannamen dat hij zijn geboortecertificaat vervalst had, een racistische aanname die Trump pas heel laat losliet. Springsteen, alles behalve een Trump-aanhanger was niet blij dat zijn song misbruikt werd.

Deze week begon Thierry Baudet zijn bijdrage aan de Algemene Beschouwingen met een gedicht van Menno Wigman. Daar kun je veel op tegen hebben. Bijvoorbeeld dat hij de naam van Wigman niet noemde of dat hij eigenhandig regels schrapte en het eind veranderde. Bij een dichter die zo zorgvuldig was als Wigman is dat vloeken in de kerk. Maar toch, er werd een gedicht geciteerd, voor een groot deel uit het blote hoofd. Ik ergerde me vooral aan de honende geluiden van de oppositie en aan de volstrekte desinteresse van de premier die een mal gezicht trok om maar aan te tonen dat die Baudet weer met iets geks bezig was.

De meeste dichters reageerden geprikkeld, vooral omdat Baudet het had aangedurfd om met zijn tengels aan een gedicht van Menno Wigman te zitten. Hij zou het gedicht niet eens mogen voordragen. Maria van Daalen reageerde fel op Facebook:

ik denk dat neonazi Baudet gewoon lekker 1 gedicht van 1 bloemlezing uit z’n hoofd geleerd heeft ‘pour épater les bourgeois’. Je moet hem de eer van welke aandacht dan ook gewoon niet gunnen. Z’n Kamercollega’s weten allang hoe laat het is en laten dat merken in hun gedrag. Gelijk hebben ze. Baudet neemt ook weloverwogen een gedicht van een dode dichter. Want die protesteert later niet. De Nazi’s waren dol op Goethe en die was gelukkig toen ook al een tijdje dood.

Ook in reacties op een post van Ellen Deckwitz kwam Godwin vaak langs in reacties van dichters. Ingmar Heytze verwoordde echter mijn standpunt:

ik ziet niet in waarom een politicus geen gedicht zou kunnen voorlezen, ik juich het toe. De politicus doet er niet toe, als de dichter maar goed is. Maar niet in deze vorm. Want nog problematischer dan geen bronvermelding, en de zoekende voordracht die geen recht doet aan Wigmans eigen manier van voordragen, is het feit dat hij zelf het einde van het gedicht even omschrijft naar zijn eigen situatie. Of hebben jullie het einde niet gehoord?

Historicus Harry Perton liet in een tweet weten dat er wel vaker gedichten worden geciteerd in de Tweede Kamer:


In 1992 citeert mevrouw Witteveen-Hevinga van de PvdA bijvoorbeeld een gedicht van Rutger Kopland. Geen hoongelach in de kamer, maar ze vertelde er dan ook bij dat het een gedicht was. Dat is altijd goed, dan kun je er als toehoorder een beetje moeilijk bij kijken. Soms is een gedicht onderwerp van een debat, zoals in 1952 toen ‘Oote’ van Jan Hanlo door VVD’er Willem Carel Wendelaar een uiting van decadentie werd genoemd en de Staatssecretaris de vraag voorgelegd kreeg of literaire bladen als Roeping waarin het gedicht verschenen was nog gesubsidieerd moesten worden.

Zodra een kunstwerk in de wereld is, is het van de wereld. Dat geldt voor liedjes, voor schilderijen en voor poëzie. Je kunt een gedicht niet claimen omdat degene die het gedicht uitspreekt toevallig van een andere partij is dan die van jou. Ik zou willen dat de politiek leider van de partij waar ik regelmatig op stem, GroenLinks, een keer Menno Wigman voordraagt. Ik denk niet dat er dan heel veel gemor komt uit de literaire hoek.

In 1986 verscheen Ons poëtisch Binnenhof. Politici kiezen hun dichters, een bloemlezing uitgegeven door V&D van gedichten, uitgekozen door politici. Opvallend is de populariteit van J.C. Bloem die maar liefst vijf keer gekozen werd. Brinkman (CDA) kiest ‘Vermaning’, Van den Broek (CDA) ‘Sonnet’, Joekes (VVD) ‘Grafschrift’, Meijer (PvdA) ‘Dichterschap’. Baudet liet deze week uit het gedicht van Wigman de regel ‘de kleur van een kwatrijn van J.C. Bloem’ weg. Als hij de regel had laten staan dan vraag ik me af of onze huidige parlementariërs alsnog hadden geweten dat hij een gedicht aan het voordragen was. Dat onze volksvertegenwoordigers geen gedicht herkennen, zou de grootste schok moeten zijn voor literatuurminnend Nederland.

Coen Peppelenbos