Werken aan catharsis

Wat is rouw, behalve een zwarte band om de bovenarm van een voetballer of de archaïsche voile van een stokoude dame. Het verschijnsel van oningevulde leegte na het sterven van een dierbare kan zo veel verschillende gedaantes aannemen, dat het onherkenbaar wordt. Soms weet de rouwende in kwestie ook niet waar hij met zijn gevoelens naar toe moet, zoals Michael Reed in Denis Johnsons roman De naam van de wereld. Reed is hoogleraar aan een universiteit in het Midwesten van de Verenigde Staten, zo’n uiterlijk onberispelijk heer, die uit gewoonte de suggestie probeert te wekken dat hij alles onder controle heeft.

Maar er is rouw in zijn leven, nadat diens echtgenote en dochter tijdens een verkeersongeluk om het leven kwamen. Ze waren ingestapt bij een oude buurman, een onbetrouwbare automobilist, die beter meende te weten waar hij moest rijden op zo’n dag met gevaarlijke weersomstandigheden. Reed was te bescheiden en welopgevoed om er wat van te zeggen en voelt zich daar jaren na de dood van de drie mensen in de auto nog beroerd over. Brave terughoudendheid werd persoonlijk falen.

Denis Johnson is een zeer gewaardeerd stilistisch grootmeester van boeken als Treindromen, Jezus’ zoon en Een zuil van rook, die zijn protagonisten graag gedetailleerd laat worstelen met de valstrikken die het leven hen spant en waaruit het traagzaam of zelfs onmogelijk ontsnappen is. Reed is in deze roman precies de soort man, die niets wil laten merken, graag steun zoekt bij wat tradities en gewoonten hem bieden: tijdelijke gemoedsrust, al dreunt zijn schokkende verlies door lichaam en geest.

Mensen gaven me dingen, mensen vonden me aardig, misschien omdat ze voelden dat ik zo goed als dood was en hun niets kon doen.

Hij vertoont zich weliswaar op plekken waar hij zich altijd vertoonde, ook bij mensen die zijn spreekwoordelijke verlamming interpreteren als coole onverschilligheid of hoogwaardige ironie, maar buiten diens sociale bestaan is Reed echter geknakt. Hij hoort andermans leedverhalen schijnbaar ontspannen aan, maar moet zich vastklampen aan denkbeeldige gesprekken met ene Bill, die suppoost is in het Museum voor Schone Kunsten in zijn woonplaats.

Ik knikte, ik glimlachte. En Bill ook. Ik geloofde dat Bill op een bepaald scharnierpunt in zijn leven beslissingen had genomen zonder dat hij zich er op dat moment van bewust was dat hij ze nam – die hem medailles hadden opgeleverd of waardoor hij zijn kameraden in de steek had gelaten… ik weet zeker dat ik te veel fantaseerde, maar ik zag een oude oorlog in zijn ogen die nog niet helemaal was uitgewoed.
Daar gingen onze denkbeeldige gesprekken – dat wil zeggen, neem me niet kwalijk, míjn denkbeeldige gesprekken – vaak over.

Reed bezoekt in het museum graag een bepaalde tekening, het werk van een slaaf uit Georgia, een soort mandala, waarin bestaande, eerder aangebrachte lijnen alle nieuwe omtrekkende lijnen uit hun baan dwingen. Het impliceert voor Reed wat hij zich altijd al bedacht had, dat kleine afwijkingen door de loop van de tijd steeds verder uit koers raken en tot de afschuwelijkste narigheid kunnen leiden.

De mijmerende Reed, de van zijn ankers geslagen man, die ook nog zijn baan verliest, krijgt in Johnsons roman alle ruimte om zijn toekomstige wegen te analyseren, er vervolgens weer op terug te komen om opnieuw onbekende wegen in te slaan. Wat er van beklijft is de overtuiging dat hij werkelijk niet weet wat te doen, gevangen als hij zit in zijn aangeleerde zekerheden en tradities. Pas als Flower Cannon op zijn weg komt, een vrijdenkend en vrijpostig kunstzinnig meisje met een grote bos rood haar en weinig scrupules, begint Reed te begrijpen dat zijn leven niet per se tot een eind gekomen hoeft te zijn.

Johnson vertelt echter allerminst een eenduidig verhaal van een man die zichzelf herontdekt, ook geen licht verteerbare feelgood, waarin de jonge vrouw een oude man revitaliseert, wat hier gebeurt is in de eerste plaats het intrigerende verhaal van een geestelijke catharsis. Flower Cannon speelt er wel een rol in, maar het is Reed zelf die tot inzichten komt en zichzelf zo weer de ruimte durft te geven.

André Keikes

Denis Johnson – De naam van de wereld. Vertaald door Peter Bergsma, nawoord Auke Hulst. Koppernik, Amsterdam. 160 blz. € 22,50.

0

Reacties