Een onverwachte liefde

In Een Alpenroman van Simon Vestdijk wordt de oplettende lezer al vroeg op de hoogte gesteld van wat er aan de hand is. Al in het eerste uur ziet Lucy (43), de protagoniste, haar toekomstige geliefde Anna (30), kellnerin (in de spelling van Vestdijk). Zij wijst haar man op ‘de hertogin van Kent’. ‘Het was een lange, broodmagere vrouw van om en bij de 30, met een heel lang, smal gezicht, lange kin, laag voorhoofd, waarover blonde krulletjes tuimelden, en armen als pijpestelen. Niet mooi, niet onknap…’. Anna heeft haar ook gezien begrijpen we later.

We hebben dan ook al aanwijzingen gekregen waarom Lucy hier in de Goldene Ochse is. Zij zou een hartkwaal hebben en moet aansterken en uitrusten. Zij kiest voor de Goldene Ochse vanwege de koeien die daar door het straatje trekken. Haar man vindt het hotel te eenvoudig, maar Anna zet door. Ze betrekken er twee kamers. De volgende dag is haar man vroeg vertrokken naar huis. Die hartkwaal wordt haar vooral aangepraat door Babs, haar dochter. De volgende ochtend staat Anna met thee in haar kamer. Haar schitterende ogen vallen op en haar volle mond, ‘terwijl het van de vorige avond reeds vertrouwde iets van beklemming bij haar teweegbracht, iets als een vage schrik, een gevoel van: zo is het nu, dit is het, hoe idioot, hoe verbazend gek…’ Twee dagen later ontmoet Anna in een restaurant een oude Duitse geliefde – de enige vóór haar man – , die dokter is geworden. Hij onderzoekt haar en zegt dat de hartkwaal niet zo duidelijk is, maar waarschijnlijk veroorzaakt wordt door ‘echtelijke onthouding’. Zij moet juist stevige bergwandelingen maken om haar hart te trainen.

Nu gaat Lucy wandelen in de bergen. Ze vraagt advies aan o.a. Anna. Ze koopt goede bergschoenen. Anna koopt voor haar een schoudertas en regelt een lunchpakket. Ze wil er geen geld voor en suggereert dat het op de rekening komt, maar de lezer begrijpt langzamerhand dat het een liefdesgeschenk is. Let op: er wordt niets uitgesproken. Anna koopt ook bloemen voor haar. ‘Zijn van het hotel?’ Anna bloost. Ondertussen wordt Anna achtervolgd door twee Duitse alpinisten uit Ulm. Ze probeert ze te ontwijken, maar dat lukt niet erg. Uiteindelijk zal de een de ander over een hekje duwen in een ruzie. De man wordt gewond afgevoerd.

In de bergen kijkt Lucy in een droom naar een meisje dat hinkt, maar dapper voortgaat. Plotseling staat er: ‘En terwijl zij zo keek, en bij zichzelf overlegde, overmeesterde haar een geluksgevoel zoals zij in haar leven niet eerder had gekend, een diepe ademloze verzaliging, die zich oneindig verwijdde, en zich in golven aan haar lichaam mededeelde. Zo ontspande zij in de uiterste eenwording met een gouden niets.’ Haar hart hamert en zij wil druppels nemen. Zij kijkt in de spiegel en denkt: ‘Zij had zichzelf niets te verwijten, zij was er zeker van nooit eerder iets van dien aard te hebben ervaren, in haar dromen niet, en niet in werkelijkheid. De droom was haar toegezonden van buiten af, uit een vreemde en onvoorstelbare wereld, die nooit in haar verborgen was geweest.’

De volgende morgen komt Anna haar thee en een broodje brengen. Dit is niet gebruikelijk. Als een gast iets wil, brengt een kamermeisje het gevraagde; niet een kelnerin. ‘Terwijl het meisje nog met de rug naar haar toestond, kwam in haar hart een knellende pijn opzetten, een wee en gevaarlijk dringen en persen, dat toch ook iets bevredigends had, omdat zij nu bij zichzelf kon zeggen: een oude bekende, maar minder erg dan het wel eens geweest is. Toch had zij zich niet kunnen weerhouden haar hand naar haar hartstreek te brengen.’ Anna ziet dat.

Lucy weet niet wat haar overkomt. Zoiets zeggen we meestal als we het wel weten, maar in dit geval moet je de uitspraak letterlijk nemen. Lucy denkt nog aan de zogenaamde hartkwaal, maar het is de liefde die er al is voor ze het weet. Anna ziet in een bergrestaurant een primitief schilderij met de gedaante van een jonge vrouw met lijdende ogen. Enige tijd later komt de verteller van de roman er op terug en is inderdaad de vrouw op het schilderij een verwijzing naar Anna. De eigenaresse is de moeder van Anna. Lucy vraagt naar de dochter en haar oren beginnen te suizen en ze voelt zich beklemd. Ze hoort over de verloofde van Anna en dat Anna niets om hem geeft en daarna is de beklemming van Lucy over. Ook hier is het lichaam wijzer dan het denkende hoofd. Dat vinden we vaak bij Vestdijk. Nol in ‘De Koperen Tuin’ heeft ook pas laat door wat hij voor Trix voelt. De kennis komt uit zijn maag.

Staande op haar veranda houdt Anna zich voor haar verstand te gebruiken, maar het was ‘alsof er iets in haar maagstreek verschoof, een begin van ongemak, iets dat losraakte en verder zijn gang ging, zoals een losrakend steentje een lawine ontketent. De lawine was naar boven gericht: een zich oprichtende golf van malaise en kramp, die in de buurt van haar hart uiteenbarstte tot een ster in getroffen ijs.’ Lucy denkt dan nog aan haar hartkwaal en roept om een dokter, maar Anna stormt binnen. De dokter wordt weer afbesteld. Ze wil ook geen druppels meer. ‘Ze drukte Anna’s hand. – ‘Ik ben heel blij dat je gekomen bent.’ Haar stem is theatraal. Ze herstelt zich maar dan beginnen haar lippen te trillen en ze ziet niets meer.
Anna weet al lang wat haar overkomt en zij uit het door overdreven zorg voor Lucy. Zij komt ongevraagd achter haar aan op een bergwandeling om haar te beschermen; zij brengt ontbijt op de kamer en bloemen. Zij wil Lucy zo veel mogelijk zien, vooral haar ogen. Ook de alpinisten zijn onder de betovering van Lucy’s ogen. Zij hopen dat zij een gescheiden vrouw is. In ieder geval is zij voorwerp van hun aanbidding. Maar met Anna is het iets anders. Ze zegt, terwijl ze knielt bij het bed van Lucy: ‘Ik kan niet anders, ik heb ertegen gestreden.’

Plotseling komt Charles, de schoonzoon, naar het hotel. Hij bekent dat hij van zijn schoonmoeder houdt en hij voelt dat Lucy iets voelt voor de kellnerin. Ook Ponn, de oude liefde komt haar ten huwelijk vragen. Hij wordt afgewezen. Ook hij voelt dat haar hart voor iemand anders klopt. De volgende dag komt Charles weer langs. Moderegger heeft zijn arm gebroken. Charles heeft het door. Nu valt voor het eerst het woord ‘lesbisch’, maar Lucy lijkt nog niets over haar eigen gevoel te weten.

Op bladzijde 165 valt voor het eerst het woord ‘lesbisch’. Charles gebruikt het. De lezer moet bedenken dat de roman gepubliceerd is in 1960. In die tijd moet men dat geheim houden. Lucy schrikt, maar in haar hart weet ze het al: zij is ook lesbisch. Charles dwingt Moderegger een bekentenis af: Anna heeft hem opdracht gegeven geweld te gebruiken. Was Anna jaloers? Later begrijpen we dat Anna meende dat Charles Lucy bedreigde. Lucy worstelt met het begrip en denkt dat Anna daar toch te ‘fatsoenlijk’ voor is. Ze gaat met Anna praten, die weet dat zij van Lucy houdt met een alles verzengende liefde, maar ze denkt dat ze slecht is. Toch weet ze ook dat liefde zuiver is. Anna heeft een visioen hoog in de bergen. Ze voelt hoe verterend haar liefde is, maar pas thuis in Holland (zoals Vestdijk dat noemt) – na een soort vlucht – begint ze het echt te begrijpen.

Pas in hoofdstuk XV bekent Lucy dat ze van Anna houdt, dat ze niet alleen maar een vriendin is, maar dat ze haar ook ‘begeert’ om een term van Charles te gebruiken. Later – als ze eenmaal gevreeën hebben – komt Anna weer op die zuiverheid terug. Lucy moet haar er van overtuigen dat liefde niet slecht kan zijn. Ik moet denken aan regels van Aafjes: ‘Zij weten niet dat kuisheid slechts bestaat, wanneer men in liefde neergedoken voorgoed het alleruiterste begaat.’ Maar Anna is ook gevormd door het katholicisme. Ze voelt zich schuldig, ontvlucht Lucy en gaat naar een pastoor die haar verbergt in een klooster.

Wat Vestdijk meesterlijk doet is vertragen, de spanning er in houden door allerlei verwikkelingen met messen en gebroken armen en afkoopsommen tot de allerlaatste bladzijde. Waar ligt het perspectief van de roman? We krijgen te lezen wat Anna meemaakt; we krijgen de binnenwereld van Anna. De anderen leren we kennen via Lucy. We weten niets van de binnenwereld van Anna. Dat moeten we afleiden uit haar gedrag. Dat maakt de roman meeslepend. Steeds is er de regie van een auctoriale verteller met de stem van Vestdijk: soms ironisch en spottend, soms wereldwijs. Hij weet hoe de maatschappij in elkaar zit, hoe mensen elkaar beloeren en bekritiseren. Maar ook is er de hartstochtelijke stem, bezwerend, filosofisch, bijna religieus. Hij is ook een kind van zijn tijd met standsgevoel. Anna is maar een ‘kellnerin’, boers, primitief. Lucy is een dame met geld.

In ‘Het pernicieuze slot’ bespreekt Vestdijk het probleem van het slot van een verhaal, roman. Men bouwt een compositie op, men begint ergens, de personages volgen een ontwikkeling, maken een crisis mee, die wordt overwonnen of niet en dan is er het probleem van het slot. Hoe eindig je het verhaal? Aan het slot van het betoog geeft Vestdijk twee mogelijkheden om het slot te omzeilen. Eén ervan is door het einde van een verhaal het begin te maken van een volgend. Dat is precies wat hij doet in Een Alpenroman. Na de lezer meegevoerd te hebben door allerlei ontwikkelingen en verwikkelingen, verrassende ontmoetingen met figuren die het verhaal verder stuwen, na de wanhoop van Lucie uitvoerig te presenteren, eindigt hij volkomen onverwacht met de komst van Anna naar het huis van Lucie. Ze is na de wanhopige zoektocht naar Anna, die eindigt in een klooster waar Anna verborgen wordt gehouden, tegengehouden door een vastberaden moeder-overste, volkomen overstuur terug gegaan naar Nederland en is weer een hartpatiënt geworden. Ze heeft drie weken in bed gelegen, met een klein geworden gezicht, en maakt voor het eerst een wandeling in weer en wind. Ze komt thuis, belt aan, wordt opengedaan door een dienstmeisje. Haar man komt haar tegemoet. Ze ziet een regenjas hangen, ze ziet een blauwe koffer, waarvan de lezer weet dat die van Anna is. Haar man zegt dat er iemand voor haar gekomen is en dat zij alles heeft verteld en dat alles goed is en dat zij zich geen zorgen hoeft te maken. ‘Als je wilt’, zegt hij, ‘kan ze hier blijven.’ ‘Ik zou nu maar naar haar toegaan.’ En dan gaat Vestdijk weer vertragen, wat hij zo vaak doet, vlak voor een emotionele gebeurtenis. We krijgen allerlei dingen te zien en we denken: ja, ja, hou maar op met die details, vertel wat er gebeurt, nu. Maar nee, Lucie wil zelf eigenlijk nog een kwartier op haar bed liggen om alles te overdenken. Ze stelt zich voor hoe Anna daar oprijst, blozend en lachend, met een grote bos rozen in haar hand, ‘kristal onder de kristallen, de schoonste, de liefste. Reeds wierp zij haar eerste blik in de achterkamer, waar de lange gestalte verrijzen zou in het schemerig geworden oktoberlicht.’ Punt. Einde roman. Doorn, oktober-december 1960

We mogen zelf bedenken wat er gaat gebeuren, hoe ze elkaar omhelzen, waar ze na alle gepraat over Gertesbad gaan slapen. Hoe het verder gaat, wat Anna gaat doen in het huis van Lucie. Hoe de liefde wordt geconsumeerd en hoe deze slijt. En of ze terug wil naar Gertesbad, naar haar moeder, naar het hotel, naar de bergen. Ach, dit is een geniaal slot. Hun liefde is groot en totaal en exploderend: ze zouden in elkaar moeten vloeien, ze zouden moeten sterven in elkaars ogen.

Aan het verre lief (M. Vasalis)

Ik denk aan ledematen in de ochtendstond,
fris als tulpenstelen, rond
en stroef.
Ach lief.
En aan het ondergronds geluk
dat door de aders van de ziel
stroomt en in plotseling gelach
opspringt, hoog als de eerste dag.
Denk aan de aandacht en de rust
als bij ’t bestijgen van een berg.
Daarboven sneeuw, brandend van wit.
Zo zou het zijn: langzaam en aandachtig,
ingespannen, stijgende, tot het wit-gloeiend eind,
dat heilig is, eenzaam en wijd.

Remco Ekkers

Simon Vestdijk – Een Alpenroman. De Bezige Bij, Amsterdam 1961. 418 blz.

4