Racisme is nooit respectvol

Wij slaven van Suriname van Anton de Kom is gisteren uitgeroepen tot het NPO Radio 1 Non-Fictie Boek van het Jaar. De helft van de tienduizend lezers die meededen aan de verkiezing van NPO Radio 1 stemde op De Koms aanklacht uit 1934 tegen het Nederlandse kolonialisme en racisme in Suriname. Het boek krijgt in Nederland in 2020, 86 jaar na de eerste publicatie, eindelijk de aandacht die het verdient.

Vandaag voorspelt Johan Fretz in Het Parool dat 2021 het jaar van het ‘respectvolle racisme’ gaat worden. Fretz schrijft over de ‘antimigrantenretoriek’ van VVD-parlementariër Bente Becker, woordvoerder asiel en migratie, die ze bedrijft ‘met de gretigheid van iemand die na een halfjaar lockdown tien gangen bij De Librije naar binnen schuift’. Door de populariteit van de PVV en FvD voelen sommige andere partijen zich genoodzaakt zich ook van racistische frames te bedienen. Dat wordt ‘PVV-corvee’ genoemd. Fretz maakt duidelijk dat het bij Becker geen corvee, maar overtuiging is. Corvee is iets dat je met tegenzin uitvoert. Tegen migranten ageren is iets dat Becker in de Tweede Kamer en interviews uit volle overtuiging en met retorisch plezier doet. Ze staat op de vierde plaats van de VVD-kandidatenlijst voor de Tweede Kamer, dus de kans is heel groot dat Becker dat de komende jaren blijft doen.

In een interview met Petra de Koning in NRC Handelsblad zei Becker onlangs dat Nederland ‘de deur niet wagenwijd [moet] openzetten voor migranten’ en dat ‘hardwerkende mensen’ zich ‘nog wel veilig moeten voelen in ons land’. Ze is een pleitbezorger van het partijstandpunt dat migranten die volgens de VVD niet genoeg geïntegreerd zijn geïsoleerd moeten worden in zogeheten ‘integratielocaties’. Daar moeten ze wonen tot ze volgens de normen van de VVD wel voldoende zijn geïntegreerd. Daarna hebben ze minder snel recht op een woning omdat ze eerst minder goed geïntegreerd waren. Becker benadrukt dat witte, geboren Nederlanders zich onveilig voelen door migratie ‘Mensen die geen recht hebben op onze bescherming en kwaad willen, waarom kunnen die hier toch komen?’

Integratie is enerzijds een plicht voor migranten en anderzijds is langdurige uitsluiting de norm voor nieuwkomers. Bij de Nederlanders horen en volwaardig staatsburger worden, moet volgens de VVD namelijk bemoeilijkt worden. ‘Het Nederlandse paspoort is de hoofdprijs. Dat moet je verdienen. Wij willen nieuwkomers daarom niet na 5 jaar, maar pas na 10 jaar de kans geven om te naturaliseren. En we scherpen de voorwaarden aan,’ aldus de VVD-website.

Ik ben ontzettend bang dat Fretz gelijk krijgt en dat niet alleen 2021, maar ook 2022, 2023, 2024, 2025 en de daarop volgende jaren door racisme gedomineerd zullen worden. De toevoeging ‘respectvol’ laat ik weg, want racisme is natuurlijk nooit respectvol. Maar de combinatie ‘respectvol racisme’ is wel bijzonder goed gevonden omdat het de aandacht vestigt op een verschuiving van het extreemrechtse discours van partijen waarvan je het verwachtte naar partijen waarvan je het niet zou verwachten zoals de VVD en het CDA.

In de HJ Schoo-lezing die minister van Financiën Wopke Hoekstra (CDA) in 2019 hield, krijgen ook de migranten ervan langs. Hoekstra, die inmiddels lijsttrekker van het CDA is en door veel CDA-aanhangers als de ideale volgende premier wordt gezien, creëert een tegenstelling tussen ‘heel normale’ Nederlanders en migranten. In zijn lezing gaat het eerst over ‘heel normale Nederlands gezinnen’ die aan de keukentafel zitten en het zwaar hebben omdat hard werken in Nederland niet meer automatisch betekent dat je een succesvol en welvarend leven hebt. De flexibele arbeidsmarkt en het tekort aan woningen zorgen voor veel onzekerheid. Daarna gaat het aan diezelfde keukentafel over de profiterende niet-westerse migrant die ‘gebroken Nederlands’ spreekt, weigert zich aan te passen en de onzekerheid van de ‘heel normale’ Nederlander vergroot. Hoekstra: ‘Dames, en heren, aan de keukentafel speelt nog een 2e onderwerp. Opnieuw een onderwerp dat bijdraagt aan de onzekerheid en waar we de combinatie van geven en nemen, van rechten en plichten, van wederkerigheid uit het oog zijn verloren.’ Wat volgt is een karikatuur van een niet-westers echtpaar dat de huisarts bezoekt. De man belemmert zijn echtgenote en heeft geen respect voor de vrouwelijke huisarts. Deze fictieve man maakt zich volgens Hoekstra schuldig aan ‘het de rug toekeren naar artikel 1 van de Grondwet.’ Vreemd genoeg spreekt de man volgens Hoekstra wel voldoende Nederlands om zijn rechten op te eisen. Aan de ene kant betreurt Hoekstra het dat de Nederlandse samenleving niet heeft kunnen ‘afdwingen’ dat de man goed Nederlands heeft geleerd en aan de andere kant verwijt hij de man dat hij het Nederlands dat hij machtig is gebruikt om ‘op hoge toon’ voor zichzelf op te komen in de spreekkamer van de dokter. Het is duidelijk dat deze man volgens Hoekstra zijn plaats niet kent.

Volgens Hoekstra toont zijn voorbeeld van het migrantenechtpaar aan ‘hoe groot de kloof is tussen wat wij normaal vinden en wat in te veel migrantengezinnen de situatie is.’ Het misbruik dat migranten volgens Hoekstra van de Nederlandse tolerantie en de verzorgingsstaat maken, leidt volgens hem logischerwijze tot vreemdelingenhaat:

Geen wonder dat de helft van de bevolking inmiddels onomwonden zegt dat er te veel migranten zijn en zich zorgen maakt over integratie. Ook hier ontbreekt het namelijk aan fundamentele wederkerigheid. Het voorrecht om Nederlander te worden, leidt te vaak niet tot de inspanningen en resultaten die de samenleving wat mij betreft redelijkerwijs van nieuwkomers mag verwachten. Ik geef u op een briefje dat als we de steven niet weten te wenden, dit probleem ons nog decennia parten zal spelen.

Je hoort Becker en Hoekstra nooit vertellen over de oorzaken van het tekort aan betaalbare woningen en banen die bestaanszekerheid bieden. Het zijn altijd de migranten die de schuld krijgen en niet de politici en parlementariërs die de wetten hebben bedacht en aangenomen die de arbeids- en woningmarkt reguleren of de kiezers die op de partijen hebben gestemd die van Nederland één grote markt hebben gemaakt. Ook taallessen voor inburgeraars behoren inmiddels tot die markt. Nieuwkomers die de taal niet spreken, moeten zelf uit een woud van aanbieders een taalschool kiezen waar ze goed Nederlands leren.

Hoekstra polariseert verder in zijn Schoo-lezing. Hij beweert dat het de hardwerkende middenklasse aan de keukentafel is die de rekening zal betalen voor het teveel aan migratie. ‘De problemen spelen in de 1e plaats in hún buurten, op hún scholen, bij hén op de werkvloer.’

In Hoekstra’s frame worden grote groepen burgers buitengesloten omdat ze een migratie-achtergrond hebben of de Nederlandse taal niet goed machtig zijn. Socioloog Willem Schinkel beschreef in 2007 in Justitiële Verkenningen hoe burgerschap misbruikt kan worden om mensen uit te sluiten. De VVD wil dat migranten pas na tien jaar Nederlands staatsburger kunnen worden. Ook binnen de groep van staatsburgers kunnen mensen buitengesloten worden omdat ze als ‘restburger’ of ‘eigenlijk-geen-echte-burger burger’ beschouwd worden.

Hoe gevaarlijk het bewust uitsluiten van mensen is, weten we uit de periode 1933-1945. We weten ook dat het uitschakelen van de democratie en de daarop volgende uitsluiting en vernietiging van de Joden van Europa een proces was dat aanvankelijk door taal werd gestuurd. Taal die later in wetten werd vastgelegd die de rechtvaardiging boden en de plicht oplegden om mensen te isoleren, te deporteren en te doden. In Nederland is de uitsluiting van mensen met een migratieachtergrond nog niet in de wet vastgelegd, maar wel al in denkprocessen en in algoritmes zoals de kindertoeslagenaffaire duidelijk maakt, waarin meer dan 20.000 mensen met een buitenlands klinkende achternaam of een dubbele nationaliteit uitgezonderd werden om vervolgens ten onrechte als fraudeur bestempeld te worden.

Hoogopgeleide en taalvaardige mensen als Pieter Klein van RTL Nieuws, Renske Leijten van de SP en staatssecretaris Alexandra van Huffelen van Financiën (D66) hadden de grootst mogelijke moeite om de juiste stukken boven water te krijgen waarin de besluitvorming was vastgelegd en om deze stukken te duiden. In de enorme chaos van documenten, besluiten, verantwoordelijken, schuldigen en compensatieregelingen verdween ook al heel snel het besef dat verder onderzocht moet worden of institutioneel racisme ten grondslag ligt aan het selectie-, criminaliserings- en vervolgingsproces van mensen met een niet-Nederlands klinkende achternaam en een dubbele nationaliteit. Daarom zou het goed zijn als iedereen op taalles gaat, niet alleen migranten die pas in Nederland zijn, maar ook politici en parlementariërs om racisme buiten het vertoog en de wet te houden en journalisten om ambtelijke stukken en wetsvoorstellen kritisch te lezen, nog betere WOB-verzoeken te schrijven, scherpe vragen te stellen en frames door te prikken in plaats van ze te herhalen en te bevestigen.

Marie-José Klaver

3