In het blikveld van jezelf

Wat je tegenkomt op een wandeling is ongewis. Elke passant, impuls of mijmering kan een onvermoede wereld openen. Willem Jan Otten wordt in De Om, zijn deel van de fraaie reeks Terloops van uitgeverij Van Oorschot ‘opgehouden door herfstlicht’. Overigens ook door een kickbokser, verlangen naar een ijsvogel en pogingen tot veelbetekenend zwijgen.

Er is in korte tijd, zeg de periode waarin we als gevolg van de corona-epidemie allemaal wat beter naar de nabije wereld om ons heen keken, al veel fraais verschenen in de Terloops-reeks. Zo veel zelfs, dat je stilletjes hoopt dat Van Oorschot er niet mee ophoudt als iedereen gevaccineerd is. Terloops heeft het in zich, als een soort variant op Privé-domein van De Arbeiderspers, nog jarenlang mensen te wijzen op voor hen mogelijk interessante schrijvers. Een laagdrempelige, maar serieuze (hernieuwde) kennismaking, ook voor degenen die snel terugschrikken voor literair werk.

De Om is er een sterk voorbeeld van. Wie Willem Jan Otten kent, zal zijn stijl, thematiek, literatuur- en filmliefde terugvinden, zelfs hond Steentjes, die inmiddels niet meer onder ons blijkt te zijn en op Vlieland in een clandestien grafje in de duinen ligt. Wie niet eerder werk van Otten las, voelt zich misschien wel aangetrokken door de in veel literatuur atypische situering in Amsterdam-Osdorp, toch best een stukje verwijderd van de grachtengordel. Hier treft de wandelende schrijver/dichter de maar zelden opgemerkte ‘gewone Nederlander’, die ontspannen een hond uitlaat, fanatiek rent, als gepensioneerde een landschapje schildert of als dakloze op weg is naar een nog allerminst vastgestelde plek. En een beetje stilte. Alleen als de wind goed staat en de nacht de mensen enigszins tot zwijgen heeft gebracht, kun je er ‘de klingel van een tram en zijn schurend gegier in de bocht’ horen.

Otten woonde 32 jaar in Naarden en wandelde daar zijn Om altijd rond de vesting, tegenwoordig is de Sloterplas zijn vaste waarde, aangezien hij nu resideert in een appartement op de twaalfde verdieping van een woontoren. Hij kan van daaruit vrijwel de hele wandelroute – van minimaal een uur en een kwartier – beschouwen, als het ware zichzelf zien lopen. Zoals het ook omgekeerd mogelijk is: naar boven kijkend zichzelf zien zitten in zijn werkkamer. De Om begint met dat dubbele perspectief:

Tot je tiende woonde je in de Rivierenbuurt van Amsterdam, op één hoog, en fantaseerde je van een jongen die precies aan de overkant van de binnenplaats woonde. Je stelde je voor dat hij, jou ziende, wist wat je dacht. Anders dan in een spiegel, was hij niet jij; hij was juist niet jij. Van gestalte veranderend is hij jou tot op heden blijven vergezellen. Waar je ‘in gedachten verzinkt’, ziet hij, waar je in bidden vervalt, luistert hij; waar je schrijft, leest hij. Met het ouder worden richt je je in gedachten steeds vaker tot hem, en is hij soms zelfs ‘u’.

Is dat niet literatuur bij uitstek: je in een ander verplaatsen, en daarmee ook in jezelf.

Otten, inmiddels zeventig, mengt het heden – de beschreven Om vindt plaats op de dag van de Amerikaanse verkiezingen, waarop Trump mogelijk het veld ruimt –, de gevolgen van de corona-epidemie en zijn ontmoetingen van die dag in het parkachtige gebied met herinneringen aan zijn jeugd en gegevens over de tijd waarin de hoofdstedelijke bouwmeester Cornelis van Eesteren het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam ontwikkelde. Deze laatste krijgt op welhaast bijbelse wijze de vraag voorgelegd of zijn schepping ‘af’ is. Of niet, zoals de Stadsdeelraad meent:

Meester van Eesteren, U die onze Plas hebt voorzien, en het Park eromheen, en de Bebouwde Kom nog weer daaromheen, U die gezegd hebt: er zij licht, lucht en ruimte, ons hebt U voorzien, in Uw ruimte, ons, bewoners uit alle windstreken wandelend alle dagen rechtsom om Uw wateren, en soms ook linksom – wij vragen U: bent U af, moet zij, Uw schepping, behouden worden, zoals zij is, net als het regenwoud, de ijsvogel en het orkest van de Achttiende Eeuw?

Maar niet in de laatste plaats mijmert Otten over de betekenis en diepgang van woorden. Hij herinnert zich zinnen (‘Je hebt een onbekende nodig om het onbekende te zien’), die hem al zijn leven vergezellen, stelt zich de vraag welke rol doelgericht zwijgen kan hebben in een mateloze tijd – maar wat moet je dan als een ander je groet? –, betreurt zijn slechter wordende geheugen (‘Clint Eastwood die niet Schwarzenegger is’) en stelt vast dat zelfs het schelden in deze jaren geseksualiseerd is, met als bizar voorbeeld kinderen die elkaar voor pedo uitmaken.

De dichter, die Otten natuurlijk ook is, herhaalt van tijd tot tijd zichzelf, maar nooit zonder reden. Dat terugkomen met al eerder gebruikte woorden houdt je niet alleen bij de les, maar benadrukt tegelijkertijd hoe veel mensen rond de Sloterplas dagelijks hun identieke cirkels draaien. Steeds opnieuw, snelle individuen zelfs meerdere per etmaal. Al blijft er de keuze tussen links- of rechtsom. Levensgezellin Vonne van der Meer en hij draaien soms bewust in tegengestelde richting rond de Sloterplas, om elkaar ergens halverwege kort te groeten: ‘Mevrouw Van der Meer, I presume’. Terloops.

André Keikes

Willem Jan Otten – De Om. Van Oorschot, Amsterdam. 76 blz. € 12,50.

3