Geschiedenis van de gewone mens

Met haar rechtbankverslagen geeft Gabriele Tergit een veelzijdig beeld van wat als goed en fout werd bestempeld in het Berlijnse dagelijkse leven tijdens het interbellum. Je zou denken dat rechtbankverslagen vooral onleesbare ambtsstukken zijn, die ergens in een archiefkast belanden, maar in Over de lente en de eenzaamheid toont Tergit een grote vertelkracht en literaire stijl, die ook kenmerkend is voor haar romans. Ze toont de hartstocht en berekening van de ‘gewone mens’, met op de achtergrond de veranderende politieke toestand, en geeft daarmee een indringend beeld van de sociale ellende in die tijd.

Veel verslagen zijn vooral te lezen als portretten van mensen uit verschillende lagen van de bevolking. Je krijgt natuurlijk de rechtsgang mee, maar de focus ligt op de mens. Tergit geeft uitgebreide beschrijvingen van het uiterlijk van de beklaagden, soms zelfs met een ironische ondertoon, waardoor je de mensen echt voor je ziet staan: ‘Een gezette dame van in de veertig, in de lange pluchemantel van de burgervrouw, die aan de bovenkant met bont is afgezet, een tijdloze zwarte hoed met veren op het ongetwijfeld blonde haar, de Duitse moeder en vrouw. Maar je komt niet in de beklaagdenbank terecht als dat alles is.’ Een uitgebreide beschrijving van de achtergrond en financiële situatie van deze dame volgt. Daarna komen pas de aanklacht en het vonnis.

De stukken zijn verre van objectief. De auteur geeft uitgebreid commentaar op het vonnis als ze dit onterecht vindt. Ze is betrokken en onconventioneel. In het stuk ‘Paradoxen’ beschrijft ze een proces tegen een manspersoon die in het zuiden van Friedrichstadt in de nacht werd aangehouden, omdat hij worstjes zat te eten in vrouwenkleding. De man krijgt een advocaat toegewezen die de vraag stelt wie er nu aanstoot kan nemen aan het ‘bedaagde en discrete mantelpak van een bescheiden burgeres’. De persoon wordt vrijgesproken. Enkele weken later wordt een meisje veroordeeld dat zich als een man heeft gekleed: ze heeft namelijk een broek aan. Ook zij eet worstjes in dezelfde gelegenheid als de man, maar wordt tot drie weken hechtenis veroordeeld wegens verstoring van de openbare orde. Opvallend is dat Tergit hier wisselt met de persoonlijke voornaamwoorden. De man in vrouwenkleding noemt zij uiteindelijk een ‘zij’, het meisje in mannenkleding een ‘hij’. Ze sluit af met een bewogen betoog, waarin ze de wetgeving bekritiseert:

En zo blijkt uit deze twee onbeduidende gevallen wel hoe hulpeloos de wet tegenover het tussenwezen staat, welk tussenwezen dan ook, het wezen dat bezien vanuit het amorele standpunt altijd tragisch en vanuit het morele altijd amoreel is, wiens schuld begon lang voordat het werd geboren, en voor wie er desondanks bescherming moet zijn.

Tergits mededogen is ook goed te zien in de ‘Gretchen-tragedie’. Een vlijtig dienstmeisje uit een kleine provinciestad, dochter van fatsoenlijke mensen, wordt tot twee keer toe door een man benaderd, die haar zwanger achterlaat en niets meer van zich laat horen. De tweede bevalling is een snelle, om zes uur in de ochtend, zonder enige hulp. Ze wil de familie bij wie ze in dienst is, niet wakker maken, en als het kind huilt, belet zij dat met geweld, waardoor het kind het bewustzijn verliest. Direct daarna wil ze alweer koffiezetten voor meneer en mevrouw. Er komt een dokter, maar niemand ontfermt zich over het dode kind. Bij het proces is geen enkele vrouw aanwezig en het meisje wordt veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf voor intentie tot moord. Tergit is scherp in haar kritiek op deze rechtsgang, vindt dat het meisje gratie verleend moet worden, omdat kort daarvoor een ander is vrijgesproken bij toepassing van dezelfde ‘paragraaf 51’. Zij wijst op de geestestoestand van de vrouw die tijdens de bevalling helemaal aan haar lot was overgelaten.

In diverse portretten is de politiek duidelijk op de achtergrond aanwezig. Zo is er sprake van diverse opstootjes tussen SS’ers en communisten, waarbij geschoten wordt. Het heeft er alle schijn van dat communisten harder aangepakt worden dan SS’ers. Aan het eind van de reeks staan twee verslagen van een proces uit 1949 tegen acteur en regisseur Veit Harlan, opgeleid bij Max Reinhardt. De SS-commando’s kregen zijn propagandafilm Jud Süß te zien, voorafgaand aan hun acties tegen Joden, zodat zij aangespoord werden tot extra geweld. Harlan verdedigt zichzelf door aan te geven dat hij vooral een goede film wilde maken en onder druk stond. Tergit laat duidelijk doorschemeren hoe makkelijk hij zich ervan afmaakt.

Het zijn stuk voor stuk interessante portretten. De titels ervan nodigen al uit tot lezen: ‘Kleine telefoonoorlog’, ‘Per abuis kind vermoord’, ‘Ik doe alles met mijn benen’, ‘De huwelijkszwendelaarster’, ‘De grote redevoering van een kleine man’, ‘Russische valsemunters voor de rechter’, ‘De tragedie van de oude vrijster’, ‘Kus m’n k… contra bajonet’, ‘Helden van de straat’, enz. De verzameling verslagen geeft niet alleen een veelzijdig, maar vooral ook levendig beeld van die tijd in Berlijn, en dat laatste heeft vooral te maken met Tergits kritische blik en gevoel voor ironie.

Dietske Geerlings

Gabriele Tergit – Over de lente en de eenzaamheid; Berlijnse rechtbankverslagen 1924-1933. Vertaald door Jan Bert Kanon, Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen. Van Maaskant Haun, Zorgvlied. 320 blz. € 22,99.

1