Het verdriet van Vlaanderen

Julien Weverbergh was vijftien jaar directeur van de Vlaamse uitgeverij Manteau toen hij in 1986 door het Nederlandse moederbedrijf Elsevier op staande voet werd ontslagen. Het gerucht wilde dat hij had geknoeid met contracten en honoraria.

In 1971 had Weverbergh — tot dan bekend als auteur van boeken over vliegende schotels, oftewel ufo’s — de plek ingenomen van Angèle Manteau die het bedrijf in 1938 had opgericht. Toen zij bij haar uitgeverij vertrok, was die in handen van de Nederlandse uitgeversgroep Van Goor.

Angèle Manteau werd uitgeefster bij Elsevier in Amsterdam en beschouwde het feit dat Weverbergh haar opvolgde, de man immers die zij in vertrouwen had genomen over haar moeilijkheden met Van Goor, als hoogverraad. Ironisch genoeg werd uitgeverij Van Goor later op haar beurt opgeslokt door Elsevier, waardoor Manteau — met Weverbergh aan het hoofd — onderdeel werd van het concern waar mevrouw Manteau haar toevlucht had genomen.

Maar de beroemdste ex-werknemer van uitgeverij Manteau is niet Angèle Manteau en ook niet Julien Weverbergh. Dat is Jeroen Brouwers. In spraakmakende pamfletten (‘J. Weverbergh en ergher’, ‘Vlaanderen op zijn erghst’, in 1978 gebundeld in Mijn Vlaamse jaren) veegde hij de vloer aan met het Vlaamse literatuurbedrijf en liet hij en passant zijn gewezen vriend Weverbergh alle hoeken van de kamer zien.

Brouwers, die midden jaren zeventig was teruggekeerd naar Nederland, koos de zijde van Angèle Manteau. Later raakte hij ook met haar gebrouilleerd en zou het juist tussen hem en Julien Weverbergh weer goed komen.

Intussen zijn nu ook van Angèle Manteau en van Weverbergh herinneringen verschenen. Het literaire klimaat in Vlaanderen luidt de ondertitel van de essaybundel Hard tegen hart die Julien Weverbergh in de reeks Houtekiet Eigenzinnig publiceerde. Na zijn ontslag bij Manteau richtte Weverbergh, met Nederlandse hulp, de uitgeverij Houtekiet op. Daar is hij inmiddels ook weg. Over Angèle Manteau schreef Greta Seghers de mislukte biografie Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau.

Weverbergh opent zijn bundel met het essay ‘De nieuwe Vlaamse prozagolf’. Het is allemaal niks, dat is waar het in het kort op neerkomt:

Deze auteurs hebben niets te vertellen. […] Er valt in de boeken van de nieuwe Vlaamse prozagolf nergens hartstocht te bespeuren, geen durf. Er waait geen verfrissende wind door deze sterfputten waar de auteurs in de eigen ziel zitten te staren en waar hun amechtige stemmetjes zonder herinnering na te laten verzinken. Geen enkel boek pakt je, schudt je door elkaar, trapt je tegen je kont, zet je weer duizelig op je poten. De harteklop van de hartstochtelijk gedreven schrijver heb ik nergens opgevangen

schrijft Weverbergh, in herhalingen vervallend. De ‘enige baksteen in het moeras van de Vlaamse literaire genoegzaamheid’ is Jean Pierre van Rossem, het voormalige financiële genie dat nu parlementslid is en onverkoopbare boeken schrijft.

Zo dus denkt ex-uitgever Julien Weverbergh over de moderne Vlaamse literatuur en haar jongste beoefenaars. Ze deugen niet. En van de gevestigde Vlaamse schrijvers kan eigenlijk alleen Louis Paul Boon door de beugel. Ward Ruyslinck, indertijd door Jeroen Brouwers genoemd als een van de twee auteurs die ‘pakweg, gul gesproken, en dan nog: misschien […] in staat zijn vandaag de dag een bladzijtje proza te schrijven zonder dat dit uit de bladspiegel barst vanwege velerhande fouten tegen het Nederlands’, Ruyslinck dus, wordt door Weverbergh verweten dat hij zijn boeken ‘breit’.

Dat kan wel zo zijn — en als je de boeken van Ruyslinck kent, is het moeilijk om je voor te stellen dat het niet zo is — maar dan nog blijft het een feit dat Julien Weverbergh vijftien jaar lang de uitgever is geweest van het ‘gebreide’ werk van Ruyslinck, een van de best en meest constant verkopende auteurs in het fonds van Manteau.

‘Het eerzame beroep van uitgever heb ik naar beste kunnen uitgevoerd om aan de kost te komen’, schrijft Weverbergh. ‘Mijn oordeel over de door mij uitgegeven boeken deed zoveel ter zake als dat van de kroegbaas over de smaak van het door hem gesleten geestrijke vocht. (…) Uiteraard heb ik menig manuscript naar de drukker laten brengen terwille van de negotie.’

En hij vervolgt in onmiskenbaar ufologenproza: ‘Ieder redelijk mens, behalve schrijvers, zal overigens toegeven dat onze taalgemeenschap (of welke taalgemeenschap ook), niet jaar na jaar onvervangbare, uitzonderlijke, unieke en opmerkelijke romans of grensverleggend proza kan scheppen.’

Wie hieruit de conclusie trekt dat Weverbergh het eigen nest bevuilt, heeft het bij het verkeerde eind: ‘Keek of kijk ik dan op de door mij met zorg in de handel gebrachte boeken neer? Welnee. Ik heb enkele edities gerealiseerd die ik epoquemakend acht en die heb ik met zorg omringd.’

Epoquemakende edities nog wel.

Maar voor het overige stelde het niks voor, dat hele uitgeversvak. Weverbergh was kennelijk alleen uitgever omdat je als ufoloog nou eenmaal geen droog brood kunt verdienen.

Voldoet Hard tegen hart als inventarisatie van het literaire klimaat in Vlaanderen? Nee. Is J. Weverbergh, zoals de achterflap meldt, wel zo onbevooroordeeld? Nee. Wat dit boek aantoont is dat Weverbergh een cynicus is die, zo hij ze ooit heeft gekoesterd, zijn idealen is kwijtgeraakt.

Idealistischer komt Angèle Manteau naar voren in het boek van Greta Seghers, maar dat mag geen wonder heten, omdat Manteau de auteur bij het schrijven van haar biografie zorgvuldig heeft geregisseerd. Toen het einde van het boek naderde, ontstond er een breuk in de relatie tussen de schrijfster en haar onderwerp en zegde Angèle Manteau de samenwerking op waardoor veel vragen onbeantwoord bleven. Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau is daarom een onaf boek.

Wat blijft is de vraag of Vlaanderen een literair klimaat heeft. Weverbergh zegt van niet. Dat is vreemd, want hij is wel al die jaren het literaire weermannetje geweest. Hij heeft gelijk voor zover het de infrastructuur betreft: die is in Vlaanderen nagenoeg afwezig.

Vlaamse uitgeverijen? Zo goed als onbestaand. Als ze al bestaan, is dat binnen een Nederlands conglomeraat — Manteau is nu onderdeel van de uitgeversgroep waarvan ook Meulenhoff deel uitmaakt — en voor Vlaamse schrijvers blijft het nog altijd het summum om bij een gerenommeerde Nederlandse uitgever te publiceren.

Hugo Claus: De Bezige Bij. Tom Lanoye: Bert Bakker. Herman Brusselmans: Prometheus. Paul de Wispelaere: De Arbeiderspers. Eric de Kuyper: Sun. Hubert Lampo: Meulenhoff. Monika van Paemel, Kristien Hemmerechts, Walter van den Broeck, Geert van Istendael… allen sturen zij hun manuscripten naar Amsterdam.

Zelfs het boek van de Vlaamse Greta Seghers over de oprichtster van de enige literaire uitgeverij van niveau in Vlaanderen prijkt met Amsterdam op de titelpagina. Dat Angèle Manteau niet van Vlaamse afkomst is maar uit Wallonië komt, is in dit kader een heel ander verhaal. En eigenlijk toch ook weer niet.

Frank van Dijl

Greta Seghers – Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau. Prometheus.
Julien Weverbergh–  Hard tegen hart. Het literaire klimaat in Vlaanderen. Houtekiet.

Deze recensie stond in Algemeen Dagblad van 3 december 1992.

 

1