Column: Jan Lampo – Canonieke komkommertijdcommotie
Canonieke komkommertijdcommotie
Om de vijf jaar zorgt de canon van de Nederlandse literatuur van de Koninklijke Academie voor Nederlandste Taal- en Letterkunde te Gent voor wat komkommertijdcommotie.
Ik heb die Academie altijd voor een respectabel instituut gehouden. Wijlen mijn pa was er lid van. Toen hij doodging in 2006, was niemand van de Vlaamse Onsterfelijken in staat een in memoriam over hem te schrijven. Of was het angst om zich te ‘verbranden’ aan iemand die toen al niet canoniek meer werd bevonden? Enfin, het was uw dienaar die werd gevraagd om zijn verwekker in de Mededelingen van de Academie uitgeleide te doen. Alsof dat niet genoeg was, knoeide een hoogleraar met mijn gebruik van het historisch praesens, een tijd waar vele mensen zich nog altijd ongemakkelijk bij voelen (al kan niemand mij zeggen waarom).
Vandaag is er dus (alweer) die canon. Wie zo’n ding opstelt, gaat uit van premissen. Dat er iets bestaat als literatuur – teksten, vormelijk en inhoudelijk superieur aan andere teksten – en dat een literatuur haar karakter ontleent aan de taal waarin ze is gesteld. En ook dat er sprake is van een min of meer homogeen Nederlands taalgebied.
Dat is wensdenken, zij het met een stamboom. Het concept literatuur danken wij aan de renaissance en aan de Franse 17de eeuw. De romantiek injecteerde concepten als originaliteit en het ‘genie’ van de schrijver. Intussen weten we dank zij de Franse socioloog Bourdieu dat literatuur vooral is wat door een bepaalde groep mensen op een zeker moment als literatuur wordt beschouwd.
Het is de Duitse dominee-filosoof Herder die literatuur bombardeerde tot uiting van de ‘volksziel’. Daarmee ging hij een stap verder dan de Franse koning die al in de 16de eeuw het Frans van het Île de France oplegde in zijn hele koninkrijk.
En dat homogeen Nederlands taalgebied? Over de (taal)toestanden in de voormalige kolonies van Nederland weet ik praktisch niets. Maar koloniaal zal het er wel aan toegegaan zijn. Dat is de Nederlander gegeven.
De verschillen tussen Nederland en Vlaanderen intussen zijn sinds 1585 groot. Ten noorden van de toenmalige frontlijn ontstond een welvarende, burgerlijke republiek met een calvinistische elite, maar zonder staatsgodsdienst. En zoals iedereen weet, staat het Boek centraal in de calvinistische beleving. De Statenbijbel (vertaling waaraan ook uitgeweken Brabanders werkten) zorgde in het Noorden voor een min of meer gestandaardiseerd Nederlands. Maar er waren ook andere kerkgenootschappen en bijgevolg veel schriftuurlijke discussie.
In het zuiden bleef het katholicisme, dat zijn zaakjes bij voorkeur in het Latijn regelde, troef. Wat devotielectuur in de volkstaal mocht maar gelovigen moesten toch ook niet te veel willen lezen. Over het lot van de Spaanse en later Oostenrijkse Nederlanden werd in het verre buitenland beslist. Van oppositie of maatschappelijke discussie was geen sprake.
En er was, jawel, de verfransing die vanaf de 18de eeuw ook de middenklasse in haar greep kreeg. Ze werd versterkt door de inlijving van het huidige België bij Frankrijk tussen 1794 en 1815. Nadien deed koning Willem I zijn best om het Nederlands weer op het voorplan te brengen. Maar na de revolutie van 1830 stond er geen rem meer op de verfransing. De Vlamingen spraken een onbegrijpelijk patois en bijgevolg konden bestuur, rechtspraak en wetenschap alleen in het Frans.
Als reactie hiertegen ontstond de ‘moderne’ Vlaamse literatuur – of Nederlandse literatuur in Vlaanderen – tweeëneenhalve eeuw na de Nederlandse. Het duurde niet lang of dit emancipatorisch project viel ten prooi aan de strijd tussen ‘geuzen’ (vrijzinnigen) en ‘tjeven’ (katholieken) en gematigde en extreme Vlaamsgezinden.
De behoefte aan canons – historische en literaire – is omstreeks de jongste eeuwwisseling gegroeid. Plots hadden we lijstjes nodig van wat onze identiteit uitmaakt en waar ‘anderen’ zich van bewust moeten zijn om met ons te mogen samenleven. Geen ‘identitaire’ betrachting misschien, maar wel één die alles met identiteit te maken heeft. Ik ben daar niet tegen, maar we moeten ons daar wel van bewust zijn (en blijven). Tegelijk is die canondrang een gevolg van onze eigen bijna tot nul herleide kennis van verleden en letteren.
Ten slotte: wie kwam in Godsnaam op het idee om elf eeuwen schone letteren te reduceren tot vijftig titels waarmee elk lustrum een stoelendansje wordt gedaan? Alsof de ene schrijver in de Middeleeuwen of de renaissance minder zijn best deed dan tot nu toe werd aangenomen en een ander juist wat meer. En dan heb ik het nog niet over de verdwijning van Het verdriet van België dat sowieso beter Het verdriet van Kortrijk had geheten.
Jan Lampo
