Flintstones en gebroken klompen

De titel van het boek van de Spaanse antropoloog en schrijfster Virginia Mendoza is intrigerend: enkel het woord Dorst. Wie het Spaanse woord daarvoor uitspreekt, Sed, krijgt al snel een droge mond. De ondertitel nodigt uit tot verder lezen: Een geschiedenis van de mens op zoek naar water. Daar wil je als geïnteresseerde leek toch meer van weten.

Mendoza begint dicht bij huis, haar geboortestreek La Mancha, een van de droogste regio’s van Europa. Ze neemt de lezer mee in herinneringen aan haar jeugd, en aan de manier waarop haar ouders, grootouders en verre voorvaderen altijd bezig waren met het vinden van praktische oplossingen om het chronische gebrek aan water het hoofd te bieden. In die inleiding zet ze de toon:

Dorst is een van de drijvende krachten geweest in de geschiedenis van de mensheid. […] Dorst speelde ook een min of meer beslissende rol in de cognitieve revolutie, de landbouwrevolutie, de wetenschappelijke, de Franse en de industriële revolutie, én bij de opkomst van kunstmatige intelligentie, waarmee we wellicht uiteindelijk zullen moeten wedijveren om een hulpbron waarvan de bodem steeds meer in zicht komt.

Vervolgens duikt Mendoza in de geschiedenis van de aarde, en van de verre voorouders van de mens die daar in de loop van millennia een leefbaar plekje probeerden te vinden. Ze neemt de lezer mee in de werelden van de australopithecus, de neanderhaler, de denisovamens, homo erectus en de leefgebieden waarin deze en andere (directe of indirecte) voorlopers van homo sapiens voor zichzelf een bestaan probeerden te creëren. Wonderlijk genoeg blijft de link met de zoektocht naar water in dit gedeelte van het boek zo goed als buiten beschouwing.

Het twee hoofdstuk heeft als titel ‘Homo sitibundus’: de grote reis. Hier schetst Mendoza de volksverhuizingen van uiteenlopende groepen prehistorische aardbewoners. ‘Waarschijnlijk waren onze voorouders er niet op uit om nieuwe gebieden te veroveren en te ontdekken, en waren ze alleen maar bezig met overleven terwijl ze zich langzaam verplaatsten, op het ritme van de droge periodes, het water en de trek van hun prooidieren’. Dat patroon herhaalt zich keer op keer, tot uiteindelijk het stadium van de landbouw is bereikt en de jagers/verzamelaars zich settelen. Wie een beetje in prehistorie is geïnteresseerd, zal die conclusie niet verbazen. Wat wel verbaast, is dat de homo sitibundus die in de titel wordt genoemd, in dit hoofdstuk verder niet voorkomt.

Vervolgens focust de auteur op de ontwikkeling van taal, en de rol die verschijnselen als dorst, regen en water daarbij gespeeld (kunnen) hebben. Ze legt een verband tussen de taal van baby’s die brabbelwoorden als agú en a gugu tata gebruiken om hun eerste levensbehoefte (dorst naar melk) duidelijk te maken. Veel dieper gaat de link met het thema van dit boek hier niet.

Langzaam maar zeker begon enige irritatie zich meester te maken van deze lezer. Na allerlei zijpaadjes te hebben ingeslagen, komt Mendoza steeds maar weer terug op het thema dat toch min of meer gesneden koek moet zijn: dat de mens zich langzaam evolueerde van rondreizende jager/verzamelaar tot sedentaire landbouwer. Over de precieze datering van dat kantelpunt schrijft de auteur: ‘omstreeks tweeduizend jaar geleden werd in het Nabije Oosten de landbouw uitgevonden, die de weg vrijmaakte voor het sedentair bestaan, waarna de opkomst volgde van steden met monumentale gebouwen en muren, van de Staat, waterwerken en het schrift. De beschaving was geboren.’

Op dit punt in het boek braken bij deze lezer verschillende klompen. Immers: landbouw werd niet ‘uitgevonden’, maar was het resultaat van een langzame ontwikkeling. En de datering daarvan (2000 jaar geleden) is helemaal een farce: dat gebeurde ergens tussen 11.000 en 10.000 jaar voor onze jaartelling. Wie eenmaal over zulke kul gestruikeld is, leest dit boek verder met toenemende wrevel. Als Mendoza in haar verhandeling over de introductie van landbouw voortdurend schermt met termen als ‘misschien’, ‘moeilijk om te weten’, ‘waarschijnlijk’, ‘we weten niet’, wekt dat groeiende irritatie op.

Wonderlijk is verder de manier waarop ze een kanttekening plaatst bij de vermeende vooruitgang die de mensen doormaakten toen ze ‘het paradijs’ verlieten en zich op een vaste plaats vestigden om landbouwers te worden: ‘Ik bepleit niet dat we moeten terugkeren naar het leven van het stenen tijdperk, want waarschijnlijk waren er toen eveneens geweld en ongelijkheid, en ik wil ook het leven van Wilma en Fred Flintstone (dat eerder lijkt op dat van een Amerikaans gezin in de jaren zeventig) niet idealiseren, want elke idealisering is zelfbedrog’.
Ook hier weer een foute datering: de Flintstones zijn toch echt ontstaan in de jaren zestig. Daarnaast vormde deze kromme redenering opnieuw een steen des aanstoots waaraan de zoveelste klomp ter ziele ging. Tijd om dit boek definitief dicht te slaan en een glas in te schenken. Van zoveel prietpraat krijgt een mens een droge keel.

Roeland Sprey

Virginia Mendoza – Dorst; Een geschiedenis van de mens op zoek naar water. Vertaald door Arieke Kroes. De Geus, Amsterdam. 366 blz. € 24,99.