Metgezel in een illusie

Donald Niedekker wakkert direct bij aanvang van zijn roman Nevenwezen een bepaalde leeshouding aan. Het tweede motto (van Abdellatif Laâbi) vormt de opmaat voor het verhaal dat komen gaat: ‘Ik heb een zwak voor de bezoeker die verdwaalt.’ De lezer is gewaarschuwd: wat volgt, vraagt vertrouwen. Overgave om je te laten leiden door de eigenzinnige verhaalkunst van Donald Niedekker. Wie Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost heeft gelezen weet dat je blindelings mee laten voeren aan de hand van deze romanschrijver een transformerende ervaring oplevert.

We vallen het verhaal binnen in een dialoog tussen de mythologische wezens Quetzalcoatl en Xochipilli. Zoals ze al eeuwen gewend zijn, zullen ze ons het verhaal net weer iets anders vertellen, maar wel met dezelfde afloop. Ze kissebissen over het begin. Moet dat nu echt bij een kapper met de naam Pluis? Pluis wordt Sluis en we zijn los. Er volgen tien hoofdstukken van ongeveer een bladzijde lag die veel weg hebben van een pagina uit een encyclopedie door de titels (Over kapper Pluis, Over de streek), door de gedetailleerde stukken tekst en door de feitelijke toon. Er is een bewust gecreëerde afstandelijkheid. De hoofdpersoon, ‘de jongen’, en zijn leefwereld leren we in deze hoofdstukken slechts mondjesmaat kennen: hij houdt van lezen, woont in de Zaanstreek op de plek waar een cacaofabriek staat, waar hij zich ‘in zijn droomboom in fantasieën verloor’.

Quetzalcoatl onderbreekt het verhaal voor een nieuw discussiepunt. Hij vindt het tijd dat de ander, het nevenwezen van de jongen, op de proppen komt: ‘Zonder ander is er zelfs geen niets.’ Niedekker vraagt hier het nodige aan voorkennis. Het is namelijk niet zonder betekenis dat Quetzalcoatl en Xochipilli in de Meso-Amerikaanse mythologie de representatie vormen van de goddelijke dualiteit. In de vijf hoofdstukken die volgen, blijkt dat de jongen van nauwgezet waarnemen houdt. Hij heeft een multomap waarin hij zijn verzameling notities bewaart. ‘Zonder verschil is er niets’ heeft hij als motto op de ringband geschreven. De map bulkt uit van de details, geschiedenissen en nieuwe woorden (zoals satraap, cartouche en qanat): ‘De ene aantekening lokte de andere uit. Een detail vroeg om precisering. Overeenkomsten hadden hun verschillen. Verschillen kenden overeenkomsten.’ Hij koopt steeds nieuwe boeken bij boekwinkel Noomen. ‘Onvermoeibaar bleef hij velletjes met aantekeningen toevoegen, als waren het facetten van een insectenoog.’

Die ander, op een plantage in West-Afrika, krijgt langzaamaan gestalte. Tot hun levens elkaar raken. Wie goed luistert, wie proeven wil, hoort de zang van ‘om de evenaar slingerende guirlandes van cacaoplantages’ en gelooft net als de jongen in het bestaan van een alter ego: ‘iemand over wie hij fantaseerde en van wie hij een alter ego was, die weer over hem fantaseerde. Elkaars spiegelbeeld.’ Oplopend met deze jongen is er de harmonie van het samenvallen. Dankzij Niedekkers gave om je metgezel te laten zijn van een illusie ervaar je hoe bevrijdend lezen kan zijn.

In fijnproeverstaal biedt Niedekker zorgvuldig gedoseerde brokjes aan, zodat schrijver, tekst en lezer er samen puur zintuiglijke chocola van kunnen maken. Lezen is immers ‘een zwevend luchtbestaan, je overgevend aan onbekende stromingen, een golven op een vliegend taaltapijt.’ Niedekker toont ons ook in Nevenwezen weer het plezier van scheppen en trekt ons met huid en haar in zijn immer draaiende rad van verbeeldingen en gedaanteverwisselingen.

Miriam Piters

Donald Niedekker – Nevenwezen. Koppernik, Amsterdam. 214 blz. € 23,50.